Aansprakelijkheid van de assurantietussenpersoon voor onjuiste opgave

Deze uitspraak van de Hoge Raad van 17 februari 2017 vormt de waarschijnlijke opmaat tot definitieve aansprakelijkheid van een in feitelijke instanties de dans nog ontspringende assurantietussenpersoon. Scharnierpunten in het juridisch kader zijn onjuiste opgave (eigen bewoning i.p.v. verhuur) bij het sluiten van een brandverzekering en artikel 7 van de toepasselijke polisvoorwaarden (dat de reguliere kennisgevingsverplichting in geval van bestemmingswijziging geeft) in combinatie met artikel 293 (oud) WvK. Dat artikel heeft (had) ook bestemmingswijzigingtot onderwerp.  De woning brandt af. De oorzaak is waarschijnlijk een door de huurder daarin geëxploiteerde hennepkwekerij. Driemaal blijkt hier scheepsrecht voor de verzekerde. De Hoge Raad bezegelt naar verwachting het lot van de assurantietussenpersoon. De uitspraak is relevant voor de beroepsaansprakelijkheidspraktijk, meer in het bijzonder die met betrekking tot de assurantiebemiddeling.

Feiten

Deze uitspraak vormt de opmaat tot definitieve aansprakelijkheid van een in feitelijke instanties de dans nog ontspringende assurantietussenpersoon vanwege onjuiste opgave (eigen bewoning i.p.v. verhuur) bij het sluiten van een brandverzekering bij de Noordhollandsche van 1816 (’NH’) voor een uit twee woningen bestaande boerderij. Het eerste scharnierpunt in het juridisch debat is dat de assurantietussenpersoon in aanwezigheid van de aspirant-verzekerde een aanvraagformulier invult en de laatste datondertekent. Dat formulier behelst geen vraag naar wie de te verzekeren onroerende zaken gaat gebruiken. Vervolgens dient de assurantietussenpersoon de aanvraag bij NH in met gebruikmaking van een elektronische vragenlijst. Daarin staat de vraag ‘woning bewoond door verz.nemer J/N’, die door de assurantietussenpersoon met ja is beantwoord. Ten onrechte en de assurantietussenpersoon wist dat. De ene woning werd verkocht. De andere ging in de verhuur. Rechtbank en hof nemen verrassend (meer daarover hierna) aan dat dit andere dan eigen gebruik niet vaststond. Artikel 7 van de polisvoorwaarden geeft de reguliere kennisgevingsverplichting in geval van bestemmingswijziging (het tweede scharnierpunt) met daarin de uitzondering dat ‘verzekeringnemer van het optreden van een hier genoemde wijziging niet op de hoogte was en bewijst dat hij dat redelijkerwijs ook niet kon zijn’. De boerderij brandt af en de oorzaak moet naar alle waarschijnlijkheid gezocht worden in een daarin door de huurder geëxploiteerde hennepkwekerij. Rechtbank en hof komen tot het oordeel dat niet alleen dat andere dan eigen gebruik niet vaststond maar ook dat causaal verband tussen die vermeende onjuiste opgave en de schade ontbreekt. De bestemmingswijziging (gebruik als hennepkwekerij) is daarbij voor rechtbank en hof doorslaggevend. Onafhankelijk van het antwoord op de  vraag naar het beoogde gebruik zou de vordering onder de verzekeringsovereenkomst, mede in aanmerking genomen artikel 293 (oud) WvK, vanwege dat ontbreken van causaal verband stranden. Aldus in ieder geval rechtbank en hof. Verzekerde komt in cassatie. De Hoge Raad maakt vervolgens korte metten met het arrest van het hof en bezegelt naar verwachting het lot van de assurantietussenpersoon.

Juridische kader

Dat een assurantietussenpersoon niet op eigen houtje gegevens (die ook nog eens niet juist blijken te zijn) moet invullen en in het kader van het sluiten van een verzekering aan de verzekeraar moet doorgeven spreekt eigenlijk wel voor zichzelf. De norm van de ‘zorgvuldig handelend assurantietussenpersoon’ behoeft daarvoor niet te worden uitgelegd. Dat gedrag is fout en resulteert in voorkomend geval in aansprakelijkheid van die assurantietussenpersoon als zich een verzekerd evenement voordoet en de verzekeraar niet thuis geeft vanwege verkeerde opgave bij het sluiten van de verzekering.

Het oordeel van rechtbank en hof was dat niet was komen vast te staan dat assurantietussenpersoon wist dat de verzekerde de woning niet zelf zou gaan bewonen. Terwijl juist dat niet tussen partijen in geschil was! Een uitglijder van de rechter na een eerdere van de assurantietussenpersoon. Dat zet de Hoge Raad recht na beklag van de verzekerde daarover.

Op het verzuim maatregelen te nemen met het oog op de in de polisvoorwaarden opgenomen mededelingsplicht ten aanzien van risicoverzwarende omstandigheden (ook dat werpt de verzekerde de assurantietussenpersoon voor de voeten) oordeelt de Hoge Raad, anders dan rechtbank en hof, dat helemaal niet naar artikel 293 (oud) WvK moet worden gekeken. Dat artikel is (was) van regelend recht. Louter artikel 7 van de polisvoorwaarden is relevant en dat artikel kent anders dan artikel 293 (oud) WvK  de al eerder aangehaalde belangrijke uitzondering. Artikel 7 luidt:

verzekeringnemer is verplicht de maatschappij zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 2 maanden (tenzij verzekeringnemer van het optreden van een hier genoemde wijziging niet op de hoogte was en bewijst dat hij dat redelijkerwijs ook niet kon zijn) na het intreden van de risicowijziging, schriftelijk in kennis te stellen van (…) wijziging van bestemming, waaronder mede wordt verstaan het aan derden, al dan niet op grond van een huurovereenkomst, in gebruik geven van het woonhuis(…)”.

De rechtbank gaat direct voor het anker van artikel 293 (oud) WvK, met de daarin vervatte ‘koude uitsluiting’ in geval van niet gemelde bestemmingswijziging, liggen.  Fout, want dat artikel is als aangegeven van regelend recht.  Het hof brengt het er in het vervolg niet veel beter van af. Dat verwijt de verzekerde dat hij uitsluitend heeft gesteld dat hij niet op de hoogte was of behoorde te zijn van het bestaan van de hennepkwekerij, maar niet welke consequenties hij hieraan voor de uitleg van artikel 7 verbindt. Aldus heeft hij volgens het hof zijn reactie op het verweer van de assurantietussenpersoon onvoldoende onderbouwd. Ook volgens het hof zou de verzekeraar sowieso dekking hebben kunnen weigeren vanwege het ontbreken van causaal verband. Dat is wel een heel onwelwillende benadering van het hof, want de stelling dat hij niet wist en behoorde te weten van de hennepkwekerij behoeft in verband met de in artikel 7 duidelijk omschreven uitzondering voor de bedoeling daarvan eigenlijk geen verder betoog. De Hoge Raad oordeelt het arrest van het hof ook op dit punt onbegrijpelijk en verwijst de zaak naar een ander hof ter verdere afdoening.

Vermoedelijk zal een verdere procedure niet gevoerd worden en de kwestie afgedaan met enigerlei financiële compensatie voor de verzekerde. Dat zou verstandig zijn.

Aanbevelingen voor de praktijk

De aanleiding voor deze beroepsaansprakelijkheidsclaim tegen de assurantietussenpersoon is vooral gelegen in het zonder ruggenspraak met de verzekerde invullen van formulieren en aansluitende verstrekking van die gegevens aan de verzekeraar. Dat is onverstandig en zal een zorgvuldig handelend assurantietussenpersoon dan ook  niet doen. Vanzelfsprekend zou men zeggen, maar de praktijk laat soms anders zien. De assurantietussenpersoon is de hulppersoon van de verzekerde en diens fouten worden de verzekerde toegerekend. Vangt de verzekerde bij de verzekeraar bot vanwege verkeerde opgave, dan kan de assurantietussenpersoon met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een beroepsaansprakelijkheidsclaim tegemoet zien.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.