Aansprakelijkheid voor afgeleide schade aandeelhouder

Afgeleide schade is schade die een aandeelhouder lijdt door waardevermindering van zijn aandelen als gevolg van door een derde aan de vennootschap toegebrachte schade. Onder omstandigheden kan een derde voor deze afgeleide schade jegens de benadeelde aandeelhouder aansprakelijk zijn. Een afgeleide schade vordering van een aandeelhouder wordt evenwel niet vaak toegewezen. Dit ondervond ook de aandeelhouder van de failliete reisorganisatie Oad.

Uitgangspunt is dat in beginsel alleen de benadeelde vennootschap recht heeft op vergoeding van door een derde aan de vennootschap toegebrachte schade. Het kan bijvoorbeeld gaan om schade uit wanprestatie of uit onrechtmatige daad. Aan aandeelhouders wier aandelen als gevolg van wanprestatie of onrechtmatige daad van een derde jegens de vennootschap in waarde dalen, komt in beginsel geen eigen vorderingsrecht toe. De Hoge Raad heeft in het verleden meermaals bevestigd dat een aandeelhouder slechts recht heeft op vergoeding van afgeleide schade, indien een derde jegens de aandeelhouder persoonlijk een specifieke zorgvuldigheidsnorm schendt. Van een dergelijke schending zal bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als een derde aan de vennootschap schade toebrengt met het doel om de aandeelhouder van de vennootschap te schaden.

Op 4 november 2015 heeft de rechtbank Midden Nederland vonnis gewezen in een procedure tussen de aandeelhouder van de inmiddels failliete reisorganisatie Oad tegen Rabobank. De aandeelhouder van Oad had de bank aansprakelijk gesteld voor het waardeloos worden van haar aandelen in de vennootschap als gevolg van het besluit van de bank om het krediet met Oad niet te continueren, waarna de vennootschap failleerde. De aandeelhouder claimde dat de bank het faillissement van Oad had veroorzaakt doordat zij de kredietovereenkomst met Oad onrechtmatig zou hebben opgezegd. De onrechtmatigheid was volgens de aandeelhouder erin gelegen dat de bank de aandeelhouder zou hebben meegedeeld en daarmee bij de aandeelhouder de verwachting gewekt dat de krediet-faciliteit met Oad zou worden gecontinueerd onder de voorwaarde dat de kapitaalpositie van Oad fors zou worden versterkt. Op het moment dat de kapitaalversterking zou worden gerealiseerd, besloot de bank alsnog om het krediet aan Oad niet ter beschikking te stellen.

De rechtbank kwam tot de conclusie dat de bank de voorwaarde tot kapitaalversterking niet aan de aandeelhouder heeft gesteld, maar aan (de directie van) Oad. Dit volgt volgens de rechtbank onder meer uit correspondentie van de bank over de verlangde kapitaal-versterking, die de bank consequent en expliciet aan de directie van Oad had gericht. Het feit dat Oad een familiebedrijf is en de directie van Oad mede werd gevormd door vertegen-woordigers van de aandeelhouder, maakt dit volgens de rechtbank niet anders. Daarom kan de voorwaarde van de bank volgens de rechtbank bij de aandeelhouder niet de verwachting hebben gewekt dat de bank het krediet zou continueren indien aan de door de bank gestelde voorwaarde zou worden voldaan. Om dezelfde reden kan de bank volgens de rechtbank jegens de aandeelhouder niet in strijd met de gewekte verwachting hebben gehandeld. De rechtbank heeft de vordering van de aandeelhouder afgewezen.

Gelet op de in de jurisprudentie van de Hoge Raad verankerde uitgangspunten terzake van afgeleide schade, wekt het oordeel van de rechtbank geen verbazing. De aandeelhouder van Oad denkt hier evenwel anders over en heeft aangekondigd van het vonnis van de rechtbank in beroep te gaan. Mogelijk is de hoop van deze aandeelhouder gevestigd op nieuw bewijs dat in eerste aanleg nog niet is beoordeeld, waaruit volgt dat de kapitaalversterkings-voorwaarde van de bank (de facto) aan de aandeelhouder was gericht en dat de bank dit had moeten begrijpen, en daar rekening mee moeten houden bij haar besluit om het krediet niet voort te zetten.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.