Aansprakelijkheid wegbeheerder voor schade weggebruiker

Het gebeurt regelmatig dat een weggebruiker schade lijdt door een fout in de aanleg, inrichting of het onderhoud van een openbare weg. Onder omstandigheden kan de benadeelde weggebruiker zijn schade verhalen op het overheidsorgaan dat als wegbeheerder van de desbetreffende weg heeft te gelden. Aan de hand van een recente uitspraak van de Rechtbank Limburg zal ik deze vorm van overheidsaansprakelijkheid toelichten.

Een wielrenner is in een onoverzichtelijke bocht hard in botsing gekomen met een tegenligger. Ten gevolge van het ongeval heeft de wielrenner onder meer een dwarslaesie ter hoogte van de nekwervels opgelopen. Naast lichamelijk letsel lijdt de wielrenner financiële schade: ten gevolge van de dwarslaesie dient hij zijn woning voor circa € 100.000,- aan te passen en is hij volledig arbeidsongeschikt geraakt. De wielrenner heeft de gemeente als wegbeheerder van het betreffende fietspad aangesproken ter vergoeding van zijn schade. In zijn optiek had de gemeente namelijk eenvoudig veiligheidsmaatregelen kunnen nemen om de gevaarlijke situatie te neutraliseren, waaronder het terugsnoeien van omliggende begroeiing en het waarschuwen middels een verkeersbord.

Twee grondslagen

Lijdt een weggebruiker schade ten gevolge van een fout in de aanleg, inrichting of het onderhoud van een openbare weg, dan biedt de wet twee grondslagen om een vordering jegens de wegbeheerder op te baseren: de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) en de aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen (art. 6:174 BW). Het voornaamste onderscheid tussen deze twee grondslagen in het kader van wegbeheerdersaansprakelijkheid schuilt daarin dat de aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen een risicoaansprakelijkheid behelst.

Dit betekent dat als een weggebruiker zijn vordering op de aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen baseert, hij niet aan hoeft te tonen dat er sprake is van een fout of schuld van de aansprakelijk gestelde wegbeheerder, terwijl dit bij een vordering uit onrechtmatige daad wel is vereist. Bovendien is het artikel aangaande de aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen in tegenstelling tot het onrechtmatige daad-artikel gedeeltelijk specifiek toegesneden op de aansprakelijkheid van de wegbeheerder. In de praktijk wordt een vordering jegens de wegbeheerder wegens het voorgaande veelal primair op aansprakelijkheid voor een gebrekkige opstal gebaseerd en slechts subsidiair op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Zo ook in de onderhavige uitspraak van de Rechtbank Limburg.

Toepassingsvereisten

Wil een aansprakelijkheidsvordering jegens de wegbeheerder succesvol zijn, dan zal de benadeelde weggebruiker moeten aantonen dat hij schade heeft geleden doordat de weg in kwestie qua aanleg, inrichting of onderhoud niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld. Anders gezegd dient de weg qua aanleg, inrichting of onderhoud gebrekkig te zijn. Dit blijkt lang niet altijd eenvoudig aan te tonen.

Bij de beantwoording van de vraag of de wegbeheerder in een bepaalde situatie ter waarborging van de veiligheid (onderhouds)maatregelen had moeten nemen, moet niet alleen worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid, waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid van de weggebruikers kan worden verwacht, maar ook op de grootte van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.  

Geen garantieplicht

Op de wegbeheerder rust overigens geen garantieplicht. De hem toekomende beleidsvrijheid en de beperktheid van de ter beschikking staande financiële middelen kunnen tot het oordeel leiden dat een wegbeheerder rechtmatig heeft gehandeld, ondanks het feit dat hij een bepaalde gevaarzettende situatie in stand liet. Hierbij is wel van groot belang dat de wegbeheerder adequaat voor het bestaande gevaar heeft gewaarschuwd door middel van signalering. De wegbeheerder komt overigens niet zomaar weg met de stelling dat er onvoldoende financiële middelen ter beschikking zijn om het benodigde onderhoud te plegen. Die situatie was aan de orde in de arresten Hoge Raad 4 april 2014 (Reaal/Gemeente Deventer) en (na verwijzing) Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 juni 2015.

Een wegbeheerder hoeft bovendien geen rekening te houden met weggebruikers die niet de in het algemeen te vergen voorzichtigheid in acht nemen. Van een weggebruiker mag tot op zekere hoogte worden verwacht dat hij zijn weggedrag aanpast aan de overzichtelijkheid en onderhoudstoestand van de weg, alsmede aan de weersomstandigheden. Laat hij dit na, dan kan zijn vordering geheel of gedeeltelijk worden afgewezen vanwege de aanwezigheid van eigen schuld (art. 6:101 BW).

De Rechtbank Limburg kwam in de uitspraak uiteindelijk tot de conclusie dat de gemeente de op haar als wegbeheerder rustende zorgplicht had geschonden, nu het fietspad ter plaatse van het ongeval niet voldeed aan de eisen die men daaraan onder de gegeven omstandigheden mocht stellen en de gemeente onvoldoende veiligheidsmaatregelen had getroffen. De rechtbank achtte de gemeente dan ook aansprakelijk voor de geleden en eventueel nog te lijden schade van de wielrenner en wees de vordering van de wielrenner tot vergoeding van zijn schade toe.

Boudewijn van Nieuwenhuijzen
Juridisch medewerker Real Estate & Government

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.