Ambtshalve toepassing vervaltermijnen Wet werk en zekerheid

Met de invoering van de Wet werk en zekerheid zijn diverse korte vervaltermijnen geïntroduceerd waarbinnen een werknemer vorderingen verband houdende met onder meer ontslag in rechte aanhangig moet maken. Zo dient een werknemer een gegeven ontslag binnen twee maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd in rechte aan te vechten. Een vordering tot betaling van de transitievergoeding dient binnen drie maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd bij de rechter te worden ingediend. Dat deze termijnen in de praktijk strikt worden gehanteerd, blijkt uit een recente uitspraak van de kantonrechter Rotterdam.

Feiten

De werkneemster was sinds 1 april 2006 in dienst bij de werkgever. Na verkregen toestemming van het UWV heeft de werkgever op 24 september 2015 de arbeidsovereenkomst opgezegd wegens bedrijfseconomische omstandigheden, waarbij 30 oktober 2015 als laatste werkdag is aangegeven. Eind oktober 2015 heeft een afrekening plaatsgevonden van het salaris over de maand oktober, van het gereserveerde vakantiegeld en van de reiskosten voor woon-werkverkeer. Op de specificatie daarvan is 31 oktober 2015 vermeld als de datum van uitdiensttreding.

Vorderingen werkneemster

De werkneemster dient vervolgens een verzoekschrift in bij de kantonrechter, waarin zij verzoekt om haar een billijke vergoeding toe te kennen omdat de penibele bedrijfseconomische omstandigheden die reden zijn geweest voor de opzegging van haar arbeidsovereenkomst het gevolg zouden zijn van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever bij haar bedrijfsvoering. Verder verzoekt de werkneemster de werkgever te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding nu de werkgever verzuimd heeft deze aan haar te voldoen.

Oordeel kantonrechter

Ten aanzien van het verzoek om een billijke vergoeding merkt de kantonrechter op dat de vordering daartoe moet worden ingediend binnen twee maandenna de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Het verzoek tot veroordeling van de werkgever tot betaling van de transitievergoeding moet worden ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Eén en ander op straffe van verval van de bevoegdheid om deze vorderingen in te dienen.

Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis neemt de kantonrechter aan, dat het de bedoeling van de wetgever is, dat de geldende vervaltermijnen in artikel 7:686a, lid 4 BW ambtshalve worden toegepast. Het betreft immers niet een termijn die het belang van één partij beoogt te beschermen, maar het algemeen belang dient doordat partijen ‘in het nieuwe systeem aanzienlijk sneller weten waar zij aan toe zijn’.

In deze zaak is de arbeidsovereenkomst geëindigd op 31 oktober 2015. Het verzoek-schrift had dan ook uiterlijk op 31 januari 2016 ontvangen moeten zijn door de rechtbank. Het verzoekschrift is evenwel pas op 1 februari 2016 ontvangen. Het per aangetekende post verzonden verzoekschrift is niet, hetzij per fax of per gewone post, eerder dan op 1 februari 2016 ontvangen. De Algemene termijnenwet geldt in deze zaak niet (artikel 7A: 2031 lid 1 BW). Het verzoekschrift is dus zowel buiten de vervaltermijn van twee als die van drie maanden ingediend. Omstandigheden die rechtvaardigen dat op de strikte handhaving van voormelde vervaltermijnen een uitzondering wordt gemaakt zijn door werkneemster niet gesteld.

Gelet hierop verklaart de kantonrechter werkneemster niet-ontvankelijk in haar verzoeken. Kort en goed, blijkt uit deze uitspraak eens te meer dat het voor de werknemer dus zaak is naar aanleiding van een gegeven ontslag voortvarend te handelen en binnen de geldende – korte - vervaltermijnen actie te ondernemen. De vervaltermijnen worden door de rechter ambtshalve getoetst.

Jurisprudentie: Kantonrechter Rotterdam 8 maart 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:1752)

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.