Baatbelasting en herinrichting centrum

Onder bepaalde voorwaarden is het een gemeente toegestaan om de kosten van een herinrichting van het centrum, door te belasten aan die inwoners en bedrijven die gebaat zijn bij deze werkzaamheden. Onlangs besliste het Gerechtshof Arnhem op basis van de door Kneppelhout & Korthals aangevoerde argumenten, dat van de betrokken winkeliers ten onrechte baatbelasting was geheven.

Indien een gemeente het wenselijk acht om het stadscentrum een opknapbeurt te geven, biedt de Gemeentewet in artikel artikel 222 de mogelijkheid de daarmee samenhangende kosten te verhalen op die inwoners en bedrijven die profijt ofwel “baat” hebben bij de uit te voeren werkzaamheden. Het gaat hierbij niet alleen om het realiseren van nieuwe voorzieningen. Ook een wijziging of vervanging van een bestaande voorziening kan hieronder begrepen worden, maar slechts voorzover sprake is van een verbetering in vergelijking met de bestaande situatie. Indien sprake is van een deel achterstallig onderhoud en voor een deel daadwerkelijk verbetering, kan uitsluitend dat deel van de kosten worden verhaald dat ziet op verbetering.

In de praktijk worden ingeval van een herinrichting de verschillende werkzaamheden veelal als een samenhangend geheel uitgevoerd. De gemeente zal het verhaalbare deel van de kosten dan ook meestal via één aanslag doorbelasten. Dit is echter slechts toegestaan indien het geheel van voorzieningen in het heringerichte gebied een wezenlijke verandering naar inrichting, aard of omvang heeft ondergaan in vergelijking met de oude toestand. Indien bijvoorbeeld slechts de bestaande bestrating en straatverlichting is vervangen door mooiere en betere materialen is dit onvoldoende om baatbelasting te mogen heffen.

Dit is het punt waarop het nogal eens misgaat voor een gemeente. Een belangrijke aanleiding tot een herinrichting van het centrum is dat het winkelend publiek wegblijft en het centrum verloedert. Om het tij te keren wil men er weer een mooi en samenhangend geheel van maken, aangepast aan de eisen van het moderne publiek. Te gemakkelijk wordt er dan overheen gestapt dat er jarenlang geen onderhoud was gepleegd en dat de voorgestelde maatregelen per saldo eigenlijk neerkomen op het wegwerken van het achterstallig onderhoud. Er is dan teveel sprake van het vervangen van verouderde materialen door nieuwere en te weinig van een wezenlijke verandering van het geheel van de voorzieningen in het centrum.

In een tot nog toe twaalf jaar durende procedure heeft Kneppelhout en Korthals de rechterlijke instanties ervan kunnen overtuigen dat in de betreffende gemeente onvoldoende sprake was van een wezenlijke verandering van de voorzieningen in het centrum, maar feitelijk slechts van het wegwerken van achterstallig onderhoud. Na verwijzing door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof Arnhem op 8 januari 2010 de betrokken winkeliers in het gelijk gesteld. Deze dienen nu de betaalde baatbelasting terug te krijgen, inclusief wettelijke rente en proceskosten.

 

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.