Bent u als regresnemer toegelaten tot het wrakkenfonds?

Over deze vraag doet de Hoge Raag in twee arresten van 2 februari 2018 uitspraak (ECLI:NL:HR:2018:140 en ECLI:NL:HR:2018:142). Ik bespreek slechts de feiten van het eerstgenoemde arrest, daar de overwegingen van de Hoge Raad in beide arresten gelijk luiden. Wat was hier het geval? Op 13 oktober 2008 is het aan Amasus in eigendom toebehorende zeeschip Wisdom op de Oude Maas in aanvaring gekomen met het aan Riad in eigendom toebehorende binnenschip Riad. Als gevolg hiervan is de Riad, met haar lading ferrochroom, gezonken. De Staat, die als beheerder van het vaarwater verantwoordelijk is voor veilige vaarwegen, heeft Riad verzocht de Riad en haar lading te bergen gezien het gevaar dat het wrak opleverde voor de scheepvaart. Nadat Riad dit weigerde, heeft de Staat de Riad onder de werking van de Wrakkenwet geplaatst en GPS Marine Services B.V. ingeschakeld om de Riad en haar lading te bergen. De Staat heeft op Riad als belanghebbende bij het schip en ELG c.s. als ladingbelanghebbenden de bergingskosten willen verhalen, althans aan hen verzocht zekerheid voor die kosten te stellen. Hierop heeft ELG c.s. door middel van een afroepgarantie zekerheid gesteld voor een bedrag van 6 ton, waaronder de Staat betaling heeft verkregen ten bedrage van € 560.790,-. Nadien stelt ELG c.s. voor dit bedrag een regresvordering in tegen Amasus en Riad. Dit heeft ertoe geleid dat Amasus een beperkingsverzoek heeft ingediend, waarna een wrakkenfonds is gesteld, alsmede – in een separate procedure – een zakenfonds. De kernvraag is of ELG c.s., als regresnemer, hun vordering kunnen indienen bij het wrakkenfonds. Voor een beter begrip van deze materie geef ik allereerst een korte weergave van de beperking van aansprakelijkheid en het stellen van een limitatiefonds, waarna ik de uitspraak van de Hoge Raad bespreek.

Bevoegdheid tot beperking van aansprakelijkheid

Het zeerecht kent de bevoegdheid van de scheepseigenaar (waaronder wordt verstaan exploitant, bevrachter of gebruiker van het schip) om zijn aansprakelijkheid voor schadevorderingen te beperken. Als de scheepseigenaar gebruikt maakt van die bevoegdheid, is hij jegens de benadeelden niet aansprakelijk voor de volledige schade die het gevolg is van een schadeveroorzakende gebeurtenis, maar is zijn aansprakelijkheid gemaximeerd tot een bepaald bedrag. Dit leerstuk heeft zijn wortels in de periode ergens tussen de val van het West-Romeinse Rijk (476) en de Kruistochten (1096-1291). In de destijds zeer opkomende scheepvaart bestond de behoefte dat investeerders nooit aansprakelijk zouden worden gehouden tot een hoger bedrag dan het voor hem geldende maximum, gezien de grote economische belangen gemoeid met de scheepvaart. Het bekende adagium luidt: ‘De reder mag aan de zee niet meer verliezen dan hij eraan heeft toevertrouwd.’ Dit geeft de ratio van beperking van aansprakelijkheid weer.

Convention on Limitation of Liability (“LLMC”)

Het instituut beperking van aansprakelijkheid is – ondanks, of juist dankzij, zijn leeftijd – nog altijd springlevend en sterk verankerd in onze (mondiale) wetgeving. Dit komt tot uitdrukking in het LLMC. Bij dit Verdrag is Nederland partij en het werkt rechtstreeks door in de Nederlandse wetgeving. Ondanks dat heeft onze wetgever de bepalingen van het LLMC geïmplementeerd in het Burgerlijk Wetboek (“BW”), de artt. 8:750-759 BW. Echter, ingeval van geschillen over de uitleg van bepalingen uit het Verdrag, respectievelijk het BW, komt betekenis toe aan hetgeen het Weens Verdragenverdrag (“WVV”) hierover bepaalt. De hoofdregel hieruit luidt als volgt. De verdragstekst moet te goeder trouw worden uitgelegd, overeenkomstig de gewone betekenis van de gebezigde termen van het verdrag in hun context en in het licht van het voorwerp en doel van het verdrag.

Het LLMC regelt – voor zover van belang voor het geval van de Riad – in art. 2 lid 1 sub a LLMC (in de niet-authentieke Nederlandse vertaling) dat “vorderingen (…), ontstaan aan boord van of in rechtstreeks verband met de exploitatie van het schip of met hulpverleningswerkzaamheden, alsmede daaruit voortvloeiende schade;” ongeacht hun grondslag, voor beperking vatbaar zijn. Een vordering uit hoofde van dit artikel kan worden ingediend in het zakenfonds.

Verder regelen meer specifiek sub d en e van dit artikellid dat eveneens voor beperking vatbaar is: “vorderingen met betrekking tot het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of het onschadelijk maken” van een gezonken, vergaan gestrand of verlaten schip, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden (sub d), dan wel de lading van het schip (sub e). Dit zijn kosten van wrak- en ladingopruiming.

Voorts biedt art. 18 lid 1 LLMC de mogelijkheid om op de laatste twee letters (d en e) een voorbehoud te maken. Dit voorbehoud hebben reeds vele verdragsstaten gemaakt, alsook Nederland. Het brengt mee dat kosten van wrak- en ladingsopruiming niet voor beperking vatbaar zijn op basis van het Verdrag. Desalniettemin brengt de Nederlandse wetgever een beperkingsvoorziening aan in art. 8:755 lid 1 BW. Tevens vloeit uit dit artikel (aanhef en onder b) een afzonderlijk fonds (het ‘wrakkenfonds’) voort, sec voor kosten van wrak- en ladingsopruiming (hierover het navolgende).

Limitatiefonds

Op het moment dat een scheepseigenaar zich beroept op beperking van aansprakelijkheid, is hij gehouden één of meerdere limitatiefondsen te stellen (zoals het zaken- en/of wrakkenfonds). Deze vormen een door de scheepseigenaar ten behoeve van zijn schuldeisers afgezonderd vermogen en fungeren als zekerheidsstelling voor schuldeisers. Schuldeisers dienen hun vordering in bij het fonds en het vermogen hierin wordt verdeeld. De verdeling heeft iets weg van de verdeling van een faillissementsboedel, dus naar evenredigheid van de bedragen van de vorderingen.

Uitspraak van de Hoge Raad

In dit geschil luidde de kernvraag of de regresvordering terzake van wrak- en ladingsopruimingskosten moet worden aangemerkt als een vordering, die toegelaten kan worden tot het wrakkenfonds (van art. 8:755 lid 1, aanhef en onder b BW), dan wel als een vordering, die toegelaten kan worden tot het zakenfonds (art. 2 lid 1 sub a LLMC). Amasus, scheepseigenaar van de Wisdom en eiseres tot cassatie, stelt dat de vordering van ELG c.s. niet kan worden ingediend bij het wrakkenfonds, daar het een vordering tot verhaal betreft en deze niet rechtstreeks ingesteld kan worden, alsmede dat het een vordering is die valt onder het bereik van art. 2 lid 1 sub a LLMC en niet van art. 2 lid 2 sub d en e LLMC. De Hoge Raad gaat na of de regresvordering van ELG c.s. kan worden aangemerkt als een vordering ex art. 2 lid 1, aanhef en onder d en e, LLMC. Hij doet dit aan de hand van art. 31 WVW. De Hoge Raad oordeelt dat de opzet en inhoud van art. 2 lid 1 LLMC meebrengen dat voor de regel in dit artikellid onverschillig is wat de grondslag van de vordering is. Het is dus niet van belang of het gaat om een rechtstreekse vordering of een regresvordering. Voor een beroep op art. 3 lid 1 LLMC, echter, is dit wel bepalend.

Verder ziet de Hoge Raad in dat de ruime formulering van art. 2 lid 1 LLMC kan meebrengen dat bepaalde onderwerpen elkaar overlappen (r.o. 3.6.8). De gemaakte bergingskosten kunnen dus ook onder het bereik van art. 2 lid 1 sub a LLMC vallen, gegeven haar ruime omschrijving. Echter, de omstandigheden van het onderhavige geval wijzen er meer op dat de vordering inzake bergingskosten valt te scharen onder art. 2 lid 1 sub d en e LLMC. In dergelijke gevallen van samenloop derogeert de speciale regel aan de algemene regel, waardoor de Hoge Raad de onderhavige vordering inzake bergingskosten toelaat tot het wrakkenfonds.

De klacht van Amasus dat de regresvordering van ELG c.s. is uitgesloten van beperking ingevolge art. 3 lid 1 LLMC – omdat sprake zou zijn van hulpverlening, dan wel avarij-grosse – faalt, aangezien de vordering van ELG c.s. niet rechtstreeks is ingesteld. Ook het betoog van Amasus dat alleen een vordering van een vaarwegbeheerder (de Staat) kan worden toegelaten tot het wrakkenfonds wordt niet gevolgd. Voor deze aanname zijn geen aanknopingspunten in de Travaux Préparatoires en andere bepalingen van het LLMC te vinden.

Conclusie

Ook regresnemers van vorderingen inzake wrak- en opruimingskosten zijn toegelaten tot het wrakkenfonds. Dit oordeel van de Hoge Raad is goed te volgen tegen het licht van de tendens in de literatuur, die hier ook al toe neigde. Voor een verhandeling hiervan verwijs ik naar de conclusie A-G. Voor de praktijk van belang is dat u uw (regres)vordering in de verificatieprocedure, en later de renvooiprocedure, indient bij het juiste fonds (het wrakkenfonds), nu de Hoge Raad heeft beslist dat ook regresnemers hiertoe zijn toegelaten.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.