Betekening aan de ontvanger: een buitenbeentje

Voor Jurisprudentie Burgerlijk Procesrecht schreef ik een annotatie bij een opmerkelijk arrest van de Hoge Raad, waarin hij oordeelde dat exploten aan de Ontvanger van de Belastingdienst in persoon moeten worden betekend en niet op de wijze waarop exploten aan de Staat moet worden betekend. De Hoge Raad overwoog daarbij dat de Ontvanger een “in functionele hoedanigheid aangewezen natuurlijke persoon” is en daarmee is de Ontvanger een buitenbeentje te noemen. In mijn annotatie vraag ik me af of een bijzondere positie als de Ontvanger in het recht inneemt nog wel van deze tijd is en onderzocht ik of het recht nog meer van dit soort buitenbeentjes kent.

JBPR 2016/64 Hoge Raad 12 augustus 2016, 15/01495, 15/01496, 15/01516, ECLI:NL:HR:2016:1927-1929, ECLI:NL:PHR:2016:347-349 

  1. Het hierboven afgedrukte arrest is om twee redenen interessant. De meest in het oog springende reden is uiteraard het oordeel dat de Hoge Raad heeft gegeven omtrent de betekening van exploten aan de Ontvanger in persoon. De Hoge Raad bevestigt daarmee zijn in 2003 gewezen uitspraak (HR 31 januari 2003, NJ 2003, 213) dat de Ontvanger dient te worden onderscheiden van de Staat en in voorkomend geval niet de Staat, maar de Ontvanger zelf in rechte dient te worden betrokken. De tweede reden is de wijze waarop de Hoge Raad tot zijn uitspraak is gekomen.
  2. Hoe voorwaardelijk is het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep? 
    Om met het laatste te beginnen: de Ontvanger had voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen de in hoger beroep gewezen arresten, de voorwaarde zijnde dat één of meer van de in het principaal cassatieberoep ingestelde klachten zou slagen. Het instellen van voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep was een logische keuze, omdat een onvoorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zou stranden bij gebrek aan belang. De Ontvanger vond immers in hoger beroep, weliswaar op andere (in cassatie onjuist gebleken) gronden, het hof aan zijn zijde. De Hoge Raad heeft aanleiding gezien eerst het door de Ontvanger ingestelde voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep te behandelen, omdat het de verste strekking heeft. De Hoge Raad heeft vervolgens zijn oordeel met betrekking tot de gang van zaken bij betekening aan de Ontvanger in persoon gegeven, waarna hij oordeelt dat het middel in het incidenteel cassatieberoep slaagt en bij die stand van zaken de klachten van het principale cassatieberoep bij gebrek aan belang stranden. In het dictum heeft de Hoge Raad vervolgens het principale cassatieberoep verworpen.
  3. Op het eerste gezicht doet een dergelijke afdoening wat onnatuurlijk aan. Immers, bij verwerping van het principale cassatieberoep is de voorwaarde waaronder het incidentele cassatieberoep is ingesteld niet vervuld. Dat is ook de reden waarom de Hoge Raad in het dictum geen beslissing heeft gegeven over het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. De Hoge Raad kan echter om proceseconomische redenen een voorwaardelijk ingesteld incidenteel cassatieberoep vóór het principale cassatieberoep onderzoeken, omdat de gegrondheid van het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep beslissend kan zijn voor het belang bij het principaal cassatieberoep (Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015, nr. 236). In een dergelijke situatie, zoals in de hier besproken arresten, volgt dan in het dictum alleen de verwerping van het principale cassatiemiddel, zodat de overwegingen die de Hoge Raad heeft gewijd aan het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep min of meer kunnen worden beschouwd als een obiter dictum, een rechtsoverweging ten overvloede.
  4. Betekening van exploten aan de Ontvanger in persoon
    Met name bij de betekening van uitspraken die in verstekzaken zijn gewezen is het, voor de bepaling van de aanvang van de verzettermijn van artikel 143 lid 2 Rv, van groot belang het verstekvonnis in persoon aan de veroordeelde partij te laten betekenen. Betekening in persoon vindt voor natuurlijke personen plaats langs de lijn van artikel 46 lid 1 Rv: afschrift van het exploot dient te worden gelaten aan de persoon voor wie het exploot is bestemd. Voor rechtspersonen geldt op grond van artikel 50 Rv dat aan de rechtspersoon in persoon is betekend indien afschrift van het exploot wordt gelaten aan een bestuurder van de rechtspersoon. Exploten kunnen aan de Staat in persoon worden betekend door afschrift te laten aan een daartoe aangewezen persoon bij het parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (artikel 48 Rv). Voor andere openbare of publiekrechtelijke rechtspersonen dan de Staat – gemeenten, provincies  en waterschappen of andere openbare lichamen die krachtens artikel 134 Gw verordenende bevoegdheid toekomt, zoals product- en (hoofd)bedrijfsschappen – is ingevolge artikel 49 Rv een exploot in persoon betekend indien afschrift wordt gelaten aan een bestuurder of een daartoe aangewezen persoon.
  5. Het recht zou het recht niet zijn als het geen uitzonderingen op de hierboven kort geformuleerde algemene regels zou kennen. Zo is in artikel 3 lid 1 Invorderingswet 1990 bepaald dat de Ontvanger in alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte optreedt. Dat betekent, zoals de Hoge Raad in de hier geannoteerde arresten heeft geoordeeld, dat exploten slechts aan de Ontvanger in persoon kunnen worden betekend door afschrift te laten aan de daartoe aangewezen functionaris persoonlijk of, in voorkomend geval, aan de waarnemend Ontvanger persoonlijk. Naar de Hoge Raad in rov. 3.4.5 van het arrest heeft geoordeeld dient de Ontvanger te worden onderscheiden van de Staat, zodat betekening niet op de voet van artikel 48 Rv kan plaatsvinden. Voorts kan de Ontvanger niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtspersoon, zodat artikel 49 Rv, ook naar analogie, toepassing mist. Met zijn oordeel bevestigt de Hoge Raad het eeuwenoude onderscheid tussen enerzijds de Inspecteur van de Belastingdienst (wèl onderdeel van de Staat, zodat betekening op de voet van artikel 48 Rv dient plaats te vinden ) en anderzijds de Ontvanger, belast met de inning van door de Inspecteur vastgestelde belastingen.
  6. De status aparte van de Ontvanger gaat terug op de Romeinen. Op grond van een overeenkomst met de Staat voerden publicani, particuliere personen die deze functie hadden gepacht, bepaalde taken voor de Staat uit, waaronder het innen van de door de Romeinse heersers vastgestelde belastingen. De publicanus diende jaarlijks de pachtsom en een voorschot te voldoen en voorts diende hij zekerheid te stellen. De Staat had op deze wijze wel de lusten (vaste en gegarandeerde inkomsten) maar niet de lasten (een ambtelijk apparaat met administratieve lasten). Ter uitvoering van hun taken hadden deze publicani, de Bijbelse tollenaars, al een bijzondere status met aparte bevoegdheden.
  7. De vraag dringt zich op of het recht nog meer “in functionele hoedanigheid aangewezen natuurlijke personen” kent waarvoor eenzelfde uitzonderingspositie als voor de Ontvanger geldt. Advocaat-Generaal Langemeijer noemt in dat kader de ambtenaar die is belast met de invordering van gemeentelijke, provinciale of waterschapsbelastingen (respectievelijk op grond van artikel 231 Gemeentewet, artikel 227a Provinciewet en artikel 124 Waterschapswet) en de officier van justitie als verzoekende partij. Ik kan deze opsomming aanvullen met de ambtenaar van de burgerlijke stand. Op grond van artikel 1:16b BW kan de ambtenaar van de burgerlijke stand in de uitoefening van zijn ambt zelfstandig in rechte optreden, zelfs zonder bijstand van een advocaat. De bevoegdheid van de ambtenaar beperkt zich niet alleen tot non-contentieuze procedures waarin hij als belanghebbende wordt aangemerkt, maar ook in contentieuze procedures treedt hij zelfstandig op en wordt hij in functionele hoedanigheid in rechte betrokken. Voorbeelden daarvan worden onder meer gevonden in HR 3 december 2004, NJ 2005, 562 m.nt. Th.M. de Boer, waarin de ambtenaar van de burgerlijke stand weigerde aantekening te maken van een Belgische uitspraak met betrekking tot meerderjarigenadoptie en, recent, Hof Arnhem-Leeuwarden 18 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1253 inzake de verbetering van geboorteakten. Betekening van exploten aan de ambtenaar van de burgerlijke stand dient dan ook plaats te vinden door afschrift van het exploot te laten aan de ambtenaar zelf.
  8. Nog daargelaten de praktische bezwaren die kleven aan de regel dat exploten persoonlijk aan de “in functionele hoedanigheid aangewezen natuurlijke persoon” moeten worden betekend – zo heeft de belastingplichtige er bij het hof terecht op gewezen dat de Ontvanger wel wat anders te doen heeft dan het op zijn kantooradres of thuis in ontvangst nemen van exploten en de A-G vraagt zich af of deurwaarders de Ontvanger moeten opwachten bij de uitgang van de parkeergarage – komt het mij voor dat er heden ten dage geen goede reden meer is een dergelijke formele scheiding voor betekening van exploten te laten voortbestaan. Het procesrecht deformaliseert immers in rap tempo en anders dan in vroeger tijden verricht de Ontvanger (en ook de andere hierboven genoemde, met functionele hoedanigheid beklede, personen) zijn werkzaamheden uitsluitend in dienst van en ten behoeve van een publiekrechtelijke rechtspersoon. Een veel logischer keuze lijkt mij dan ook de Ontvanger daadwerkelijk als onderdeel van de Staat te beschouwen en de betekening van exploten te laten plaatsvinden volgens de in artikel 48 Rv gegeven regeling. Datzelfde geldt voor de met functionele hoedanigheid beklede personen die in dienst zijn van decentrale overheden, waarvoor de regeling van artikel 49 Rv aangewezen zou moeten zijn. Op die wijze wordt immers recht gedaan aan de gedecentraliseerde eenheidsstaat die Nederland is.

Caspar Janssens
Cassatieadvocaat bij Kneppelhout & Korthals Advocaten N.V. te Rotterdam

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.