Bewaarneming en verschuldigdheid van bewaarloon

Op 10 juli 2015 sprak de Hoge Raad zich uit over verschuldigdheid van kosten ten behoeve van een schip dat door de eigenaar aan een scheepbouwer ter beschikking was gesteld voor promotionele doeleinden van laatstgenoemde (zie Hoge Raad 15 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1830). In dit artikel wordt voornoemd arrest van de Hoge Raad besproken.

Rubrieksauteur: mw. mr. J.V. Tetelepta
Gastauteur: dhr. mr. J.C. Oord. 

Feiten

Altena Yachting B.V. (hierna “Altena”) bouwde in 2005/2006 een zeewaardig motorschip van het type Searocco 1500 in opdracht van Searocco Yachts B.V. (hierna “Searocco”). Dit schip kreeg de naam “Femina” en werd opgeleverd in augustus 2006. De bedoeling van partijen was dat Altena meer schepen van dit type zou gaan bouwen in opdracht van Searocco. Partijen sloten op 15 juni 2007 een overeenkomst waarin Searocco aan Altena gedurende drie jaar het exclusieve recht gaf om schepen van het type Searocco (af) te bouwen en te verkopen tegen betaling aan Searocco van een licentievergoeding per verkocht schip. Artikel 6 van deze overeenkomst bepaalt:

“6. Het staat [betrokkene 1] vrij om de thans nog in aanbouw zijnde Searocco 2000, alsmede de complete Searocco 1500 [Hoge Raad: de Femina] af te bouwen en te verkopen. Wel zal [betrokkene 1], zolang voormelde jachten niet verkocht zijn, deze kosteloos ter beschikking stellen voor beurzen en/of promotiedoeleinden.”

Op 9 juli 2007 stuurde betrokkene 1 namens Searocco een e-mail aan Altena waarin een bonusregeling voor Altena bij verkoop van de Femina werd opgenomen. De Femina is bij Altena blijven liggen. Tot een verkoop kwam het echter nooit. In de haven van Altena lag tevens het motorschip “Masalino”, eveneens een Searocco. Op 28 augustus 2009 werd ten laste van Restant Verkoop B.V. (hierna “Restant Verkoop”), zijnde een andere vennootschap van betrokkene 1, onder Altena conservatoir scheepsbeslag gelegd op de Masalino. Deze was echter geruime tijd daarvoor reeds aan Altena verkocht door Restant Verkoop, maar laatstgenoemde bleek de Masalino niet bij notariële akte aan Altena in eigendom te hebben overgedragen. Altena stelde de Masalino op 4 september 2009 tentoon op het evenement “Hiswa te Water” waar het door de aangestelde gerechtelijk bewaarder ten overstaan van het publiek werd afgevoerd. Een en ander heeft tot een vertrouwensbreuk geleid tussen Altena en betrokkene 1.

Bij brief van 22 oktober 2009 aan betrokkene 1 heeft Altena derhalve alle contracten met betrokkene 1 en met Searocco geannuleerd en aan betrokkene 1 verzocht om, na betaling van de kort daarvoor verzonden factuur voor stallings- en onderhoudskosten, de Femina op te halen. Op 14 februari 2010 heeft de advocaat van Searocco aan Altena bericht dat de Femina in 2007 aan Restant Verkoop is verkocht en geleverd. De Femina is nadien, onder (hernieuwd) conservatoir beslag van Altena van 7 januari 2011, bij Altena blijven liggen.

Rechtbank en hof

Atlhena heeft in eerste aanleg veroordeling van Searocco tot betaling van bedragen ter zake van stalling/liggeld over de periode vanaf 20 juni 2007, reparatiewerkzaamheden en noodzakelijk onderhoud gevorderd, en een verklaring voor recht dat Restant Verkoop jegens Altena aansprakelijk is voor de kosten van ligplaats, walstroom en milieuheffing vanaf 15 februari 2010. De rechtbank wees de vordering van Altena tot een bedrag van EUR 28.897,50 (met rente) toe, alsmede de jegens Restant Verkoop gevorderde verklaring voor recht.

Dit vonnis werd door het hof bekrachtigd. Het hof overwoog daartoe (r.o. 4.6) onder meer dat omdat de overeenkomst door de bewaarnemer (in casu Altena) in de uitoefening van haar bedrijf is aangegaan, de bewaargever (Searocco) haar ingevolge artikel 7:601 lid 1 BW in beginsel loon is verschuldigd. Het bestaan van de bonusregeling in het kader van de verstrekte bemiddelingsopdracht sluit dit niet zonder meer uit, temeer nu daarbij niet (met zoveel woorden) uitsluiting van loon c.q. liggeld is bedongen, laat staan voor het geval geen verkoop stand zou komen.

Het hof overweegt verder (r.o. 4.6) dat een kosteloze terbeschikkingstelling van de Femina voor beurzen en/of promotiedoeleinden door Searocco aan Altena naar algemeen spraakgebruik betekent dat degene die een zaak aan een ander ter beschikking stelt aan deze laatste geen kosten in rekening brengt, maar niet het omgekeerde, namelijk dat degene aan wie de zaak ter beschikking is gesteld, geen kosten aan zijn wederpartij in rekening zou mogen brengen. Altena behoefde er dan ook in redelijkheid niet op bedacht zijn dat deze formulering van artikel 6 in de overeenkomst van 15 juni 2007 beoogde voor zichzelf en voor Searocco het omgekeerde overeen te komen, namelijk dat aan Searocco geen kosten in rekening zouden worden gebracht.

Hoge Raad

In cassatie betogen Searocco c.s., kort gezegd, dat het hof ten onrechte is uitgegaan van bewaarneming, omdat bij bewaarneming moet worden uitgegaan van toevertrouwing waarbij de bewaarnemer zich over de hem toevertrouwde zaak ontfermt in het belang van de bewaargever. Dit zou in casu zo zijn omdat de Femina bij Altena werd gestald met de bedoeling dat zij het schip kosteloos ter beschikking kreeg voor beurzen en promotiedoeleinden en dat het schip daar zodoende in het belang van Altena lag. Het hof heeft volgens Searocco ontoereikend gemotiveerd dat, zoals voor het aannemen van een bewaarnemingsovereenkomst is vereist, de Femina met het oog op de belangen van Searocco op de werf van Altena was gestald.

De Hoge Raad gaat daarin niet mee. De Hoge Raad overweegt daartoe (r.o. 3.2.2.) dat de enkele omstandigheid dat de zaak tevens in het belang van de bewaarnemer mag worden gebruikt, niet uitsluit dat sprake is van bewaarneming ingevolge art. 7:603 lid 1 BW welk artikel de mogelijkheid erkent dat de bewaargever aan de bewaarnemer toestemming kan geven om de zaak te gebruiken. Hieruit volgt niet de restrictie dat het gebruik slechts het belang van de bewaargever mag dienen. De Hoge Raad overweegt verder dat een en ander overeenstemt met de regels van samenloop. Op een overeenkomst die zowel voldoet aan de omschrijving van bewaarneming (met als kenmerk dat deze geschiedt in het belang van de bewaargever) als – bijvoorbeeld – aan die van bruikleen (waarbij de bruiklener de zaak, binnen de grenzen van art. 7A:1781 BW, in zijn eigen belang mag gebruiken), kunnen in beginsel de voor elk van die beide overeenkomsten gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing zijn.

Of een overeenkomst in een concreet geval (mede) kan worden aangemerkt als een overeenkomst van bewaarneming, is voorts afhankelijk van uitleg van de rechtshandeling in het licht van alle omstandigheden van het geval aan de hand van de Haviltexmaatstaf, te beoordelen met inachtneming van de hiervoor vermelde wettelijke regels, aldus de Hoge Raad.

Commentaar

De Hoge Raad volgt het hof zodoende in haar conclusie dat Altena ingevolge art. 7:601 lid 1 BW recht heeft op vergoeding van haar kosten omdat zij (mede) als bewaarnemer in de zin van artikel 7:600 BW kan worden aangemerkt. Het hof had overwogen dat Altena recht had op vergoeding omdat zij de Femina mede in het belang van bewaargever Searocco in haar haven had liggen. Searocco ontplooide immers activiteiten om het schip te verkopen. Dat Altena tevens, in haar eigen belang, gerechtigd was het schip kosteloos te gebruiken voor beurzen en promotieactiviteiten, staat daaraan niet in de weg.

Bewaargevers dienen zodoende goed in het oog te houden wat met de bewaarnemer wordt overeengekomen. Wanneer de bewaargever een zaak niet alleen aan een bewaarnemer in bewaring geeft ten behoeve van de verkoop van deze zaak, maar tevens de intentie heeft om de zaak kosteloos ter beschikking te stellen aan de bewaarnemer, zodat de bewaarnemer de zaak in eigen belang of voor eigen genot kan gebruiken, maar de bewaargever voor de bewaarneming vervolgens geen rekening verwacht, dan dient hij dit met de bewaarnemer overeen te komen. Liggelden, onderhoudskosten, reparatiekosten, huur en andersoortig loon dienen dan contractueel te worden uitgesloten. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt immers dat de enkele omstandigheid dat een zaak mede ten behoeve van de bewaarnemer aan haar in bewaring wordt gegeven niet meebrengt dat de bewaargever geen loon en onkosten ter zake van de bewaring verschuldigd is.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.