Bodem onder bodemrecht fiscus verder verstevigd

Prinsjesdag 2012. Bij uitstek een gelegenheid om aan een bijzonder en internationaal uniek voorrecht van de Belastingdienst een einde te maken. Daar is de overheid echter niet toe overgegaan. Integendeel, zij heeft het recht fors versterkt door rechten van andere mogelijke rechthebbenden aanzienlijk in te perken.

Huidige regeling
De Nederlandse Belastingdienst heeft een bodemrecht. Dit houdt in dat de Ontvanger het recht heeft om zich te verhalen op bepaalde roerende zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden ter voldoening van een zakelijke belastingschuld. Het maakt hierbij niet uit of deze zaken eigendom van de schuldenaar of van een derde zijn. Naast het bodemrecht, heeft de Ontvanger ook een bodemvoorrecht.  Het bodemvoorrecht is een voorrecht, gekoppeld aan de ‘bodemzaken’. De fiscus heeft aldus ook voorrang boven hypotheek- en pandhouders.

Het bodemvoorrecht kan worden uitgeoefend door het leggen van een (bodem)beslag. Kredietverleners die een (stil) pandrecht hebben kunnen een beslag op de bodemzaken voor zijn door het omzetten van hun ‘stille’ pand in een vuistpand. Zij nemen die zaken daarmee in hun feitelijke macht. Op deze manier verdwijnen de bodem zaken van de bodem van de belastingschuldige. Een andere optie is het verhuren van de bodem van de belastingschuldige, zodat deze geen eigen bodem meer heeft en dus ook geen bodemzaken. Aan deze constructie zitten wel haken en ogen. Zo moet er werkelijk worden verhuurd en huur betaald. De belastingschuldige mag zijn onderneming ook niet meer zelf voortzetten. De toegang moet hem worden ontzegd.

Wijziging
In de praktijk werken deze constructies niet altijd. Wel vaak genoeg om de Belastingdienst behoorlijk te frustreren. De overheid steekt daar nu een stokje voor. In de nieuwe regeling is een verplichting opgenomen voor de zekerheidshouder, vaak dus de bank, om zijn voornemen om zijn zekerheidsrecht uit te oefenen te melden aan de Ontvanger. De Ontvanger heeft vervolgens vier weken om te beslissen of hij alsnog beslag wil leggen. Indien de ontvanger niet binnen vier weken reageert, heeft de zekerheidshouder vier weken om zijn rechten uit te oefenen. Ook als de ontvanger toestemming geeft, heeft de zekerheidshouder vier weken de tijd om zijn rechten uit te oefenen. Laat hij dat na, dan vervalt de toestemming.

De beslistermijn van vier weken van de fiscus zou in sommige gevallen onredelijk lang kunnen zijn. Bijvoorbeeld wanneer er geen belastingschulden zijn of wanneer de waarde van de bodemzaken miniem is. Voor dergelijke situaties zal de fiscus nog met uitzonderingsregels komen.

In de periode tussen de mededeling aan de Ontvanger en de beslissing daarop is het de  zekerheidshouder verboden zijn rechten uit te oefenen. Indien hij dit toch doet, of wanneer hij überhaupt geen mededeling doet aan de Ontvanger, dient hij de waarde van de bodemzaken te vergoeden aan de Ontvanger tot ten hoogste het bedrag van de zakelijke belastingschulden.

Deze maatregel wordt op 1 januari 2013 ingevoerd en is van toepassing op nieuwe belastingschulden en voor nieuw te vestigen zekerheidsrechten. Na een overgangstermijn van drie maanden zal de regeling van toepassing zijn op alle zakelijke belastingschulden en zekerheidsrechten en verkrijgt daarmee terugwerkende kracht.

Deze wijziging wordt ingevoerd om de rat race, die momenteel vaak gewonnen wordt door de kredietverlener die zijn rechten uitoefent vóórdat de Ontvanger beslag heeft gelegd, te voorkomen. De overheid wijzigt de spelregels tijdens wedstrijd. Of de bankwereld zich zelf buiten spel wil laten zetten is de vraag. De nieuwe regelgeving zal de financieringspraktijk waarschijnlijk nog veel verder op slot zetten.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.