Boete voor verstrekker flitskrediet

Veel consumenten in Nederland maken gebruik van flitskredieten. Een flitskrediet is een kortlopende lening van enkele honderden Euro’s die vrij gemakkelijk wordt verstrekt, soms zelfs per sms. In geldnood kan zo’n lening heel aantrekkelijk lijken, maar de realiteit is dat mensen vaak achterblijven met hoge kosten. Deze kosten kunnen bestaan uit een hoge rente bij te laat terugbetalen, afsluitkosten of, zoals in een recente zaak, een verplichte persoonlijke garantie. Over de persoonlijke garantie bij een flitskrediet deed het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) onlangs een interessante uitspraak.

De wet

In Nederland is het uitgangspunt dat een onderneming die kredieten verstrekt aan consumenten daarvoor een vergunning nodig heeft. Een uitzondering op deze verplichting geldt als de lening verplicht binnen 3 maanden moet zijn afgelost en als aan de consument slechts ‘onbetekenende kosten’ in rekening worden gebracht.

Over wat precies onder onbetekenende kosten valt, is veel discussie geweest. Uit de rechtspraak blijkt dat onder deze kosten alle mogelijke kosten van het krediet vallen. Het gaat niet om een formeel-juridische benadering, maar juist om de feitelijke gevolgen van het krediet voor een consument. De AFM hanteert het uitgangspunt dat als de kosten meer bedragen dan 1% per jaar van het totale krediet er in ieder geval geen sprake meer is van onbetekenende kosten.

Verschil formeel-juridisch benadering en feitelijke benadering in de praktijk

Bij een flitskrediet kan bijvoorbeeld gelden dat een consument verplicht is om het flitskrediet binnen 3 maanden af te lossen en dat hij voor het krediet alleen een zeer geringe administratiebijdrage (EUR 5,00) moet betalen. Hiervoor zou volgens de wet geen vergunning nodig zijn voor de kredietverstrekker. In de praktijk gebeurt het echter vaak dat de consument de lening niet op tijd kan aflossen. De consument moet dan vaak veel betalen voor het niet op tijd aflossen van het krediet. Om te voorkomen dat de kredietverstrekker toch onder de vergunningsplicht valt door die extra kosten te berekenen, zijn er in de praktijk een aantal schijnconstructies verzonnen. Zo kan het zijn dat de onderneming die in eerste instantie de lening had verstrekt, na 3 maanden de lening overdraagt aan een andere onderneming. Het is die andere onderneming die vervolgens hoge incassokosten en rente in rekening brengt bij de consument. Het CBb oordeelde in 2014 dat zo’n constructie niet is toegestaan.

Boete flitskrediet met garantiestelling

In de recente procedure bij het CBb over de garantiestelling ging het over een onderneming die consumenten verplicht stelde een garantie te geven voor de lening. Consumenten konden kiezen tussen een persoonlijke garantsteller, zoals bijvoorbeeld een familielid, of een aan de kredietverstrekker verbonden firma die tegen betaling garant zou staan voor de lening. De kosten voor de garantstelling van de firma bedroegen EUR 19,00 bij een krediet van EUR 100,00 oplopend tot EUR 267,00 bij een krediet van EUR 800,00.  

Uiteindelijk maakte ruim 95% van de consumenten gebruik van de professionele garantsteller. Dit kwam mede doordat bij het aanvragen van een lening met deze vorm van garantstelling bijna geen extra handelingen nodig waren. Als een vriend of familielid garant wilde staan was daarvoor onder andere een recent bankafschrift, kopie identiteitsbewijs en een uitgebreid garantieformulier met handtekening van de echtgenote nodig. Gebruik maken van een professionele garantsteller was simpelweg veel eenvoudiger.

Oordeel CBb

Het CBb oordeelde dat, gelet op het hoge percentage consumenten dat gebruik maakt van de dure garantstelling van de aan de kredietverstrekker gelieerde firma, de daaraan verbonden kosten onderdeel uitmaakte van de kosten voor de lening. Hiervoor werd meegewogen dat het veel ingewikkelder was om een persoonlijke garantstelling te regelen, waarbij de procedure langer duurde en het onzekerder was of de lening zou worden verstrekt. Daarnaast merkte het College op dat als een consument iemand zou kennen die kredietwaardig genoeg was om garant te staan voor zo’n lening volgens de strenge regels van de kredietverstrekker, de consument ook wel bij die persoon had kunnen lenen. De door de AFM opgelegde boete van EUR 300.000,00 was volgens het CBb terecht.  

Commentaar

Het uitgangspunt volgens de wet en de jurisprudentie bij kredietverlening is dat een consument beschermd moet worden tegen zichzelf en tegen bedrijven die handig gebruik willen maken van uitzonderingen in de wet ten koste van diezelfde consumenten. Hierbij wordt niet alleen gelet op de juridische kwalificatie van een zaak, maar vooral op de feitelijke gevolgen voor een consument. Het verplicht stellen van een persoonlijke garantie kan, gezien het risico op wanbetaling, gerechtvaardigd zijn. In deze zaak ging het echter niet om de wens om meer zekerheid, maar was het een manier om consumenten meer te laten betalen voor het krediet, zonder daarvoor een vergunning te hoeven hebben. Het oordeel van het CBb in deze zaak is naar mijn mening terecht.

Jan Hendrik Vogelsang

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.