CBb: Voorafgaande melding voor uit de markt nemen van producten noodzakelijk

In een uitspraak van 9 april 2014 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) beslist dat steun voor het uit de markt nemen van groenten en fruit afhankelijk is van een voorafgaande melding aan de bevoegde autoriteit en de daarop volgende toestemming van deze autoriteit. Melding is zelfs noodzakelijk als de bevoegde autoriteit niet duidelijk maakt hoe in een concreet geval met het uit de markt nemen van producten moet worden omgegaan.

EHEC-crisis

Als gevolg van de EHEC-crisis stortte in 2011 de vraag naar groenten in. Dit had desastreuze gevolgen voor de prijs van groenten. Om het prijsniveau op peil te houden, konden groentetelers in aanmerking komen voor Europese steun om producten uit markt te nemen en te laten vernietigen.

De Casus

Coforta, de grootste Nederlandse producentenorganisatie van groente- en fruittelers, heeft naast Nederlandse leden ook buitenlandse leden. Het spreekt voor zich dat ook de buitenlandse leden in 2011 getroffen werden door de gevolgen van de EHEC-crisis. Het Productschap Tuinbouw (PT), in 2011 de bevoegde autoriteit, liet echter weten dat buitenlandse leden van Nederlandse producentenorganisaties niet in aanmerking konden komen voor steun om producten uit de markt te nemen.  De reden hiervoor was dat het PT over onvoldoende menskracht beschikte om het uit de markt nemen van producten in het buitenland te controleren. Coforta stuurde het PT diverse e-mails met de vraag hoe om te gaan met schadegevallen bij buitenlandse leden. Hierop werd door het PT niet gereageerd. Uiteindelijk bewandelde Coforta ten aanzien van haar buitenlandse leden een eigen weg. Het uit de markt nemen van de producten werd in dit kader eerst achteraf formeel aan het PT gemeld.

Nadat Coforta voor een Spaans lid steun vroeg voor het uit de markt nemen van producten, werd deze aanvraag door het PT niet gehonoreerd. Het hiertegen door Coforta gemaakte bezwaar werd ongegrond verklaard. Het PT stelde zich op het standpunt dat het uit de markt nemen van producten vooraf had moeten worden gemeld. Dat achteraf kon worden vastgesteld dat de producten daadwerkelijk uit de markt waren genomen, maakte dit volgens het PT niet anders. Tegen dit oordeel van het PT stelde Coforta beroep in bij het CBB.

Oordeel CBB

Het CBB wijst er allereerst op dat ten aanzien van het in het kader van de EHEC-crisis uit de markt nemen van producten gekeken moet worden naar de uitvoeringsverordening op de zogenaamde integrale GMO-Verordening. In 2011 was dat Verordening 1580/2007. In artikel 79 van laatstbedoelde verordening dat een “geplande” uit de marktneming van producten moet worden gemeld. Anders dan door Coforta gesteld, maakt het CBB hieruit op dat de voorafgaande melding een noodzakelijke voorwaarde is om voor steun voor het uit de markt nemen van producten in aanmerking te komen.

Coforta was van mening dat haar niet kon worden verweten geen voorafgaande melding te hebben gedaan. Het PT had immers te kennen gegeven dat buitenlandse leden niet voor steun voor het uit de markt nemen van producten in aanmerking konden komen. Bovendien had het PT niet gereageerd op e-mails hoe om te gaan met schade bij buitenlandse leden. Hierin volgt het CBB Coforta niet. Coforta kende de Verordening 1580/2007, althans behoorde deze te kennen. En deze verordening maakt duidelijk dat voorafgaande melding een noodzakelijke voorwaarde is om voor steun voor het uit de markt nemen van producten in aanmerking te komen.

Hoewel de formele melding eerst achteraf had plaatsgevonden, voerde Coforta tot slot aan dat de eerdere e-mails aan het PT als een melding kon worden beschouwd. Ook dit kan Coforta niet baten. Het CBB stelt namelijk vast dat de e-mails van algemene aard waren en voldeden niet aan de voorwaarden die de Europese regels aan een melding stellen.

Het beroep van Coforta wordt ongegrond verklaard.

Slot

De onderhavige zaak laat weer eens zien dat producentenorganisaties een eigen verantwoordelijkheid hebben als ze een beroep willen doen op Europese landbouwregels. Coforta wilde van het PT duidelijkheid hebben hoe om te gaan met de schade die haar buitenlandse leden als gevolg van het uit de markt nemen van producten in verband met de EHEC-crisis leden. Toen deze duidelijkheid niet kwam, ging Coforta een eigen weg. Op zich is dat begrijpelijk. Punt is alleen dat Coforta beter acht had moeten slaan op de voor haar kenbare Europese regels.

Op een voorafgaande formele melding had het PT moeten reageren. Dat volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. De enkele omstandigheid dat het PT kennelijk over onvoldoende personeel beschikte om de buitenlandse leden van Coforta te controleren, was geen reden om toestemming voor het uit de markt nemen van producten te weigeren. Op grond van Verordening 1580/2007 kon de vereiste toestemming immers ook zonder controle worden gegeven.

Voor de volledigheid wordt er nog op gewezen dat met ingang van 1 januari 2014 de taken van het PT zijn overgenomen door de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO), een onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken.

Eric Janssen, advocaat GMO recht

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.