Commissie publiceert verslag over mededinging in de landbouw

Op 26 oktober 2018 heeft de Europese Commissie (Commissie) een verslag gepubliceerd over de toepassing van de mededingingsregels in de landbouw. Bij het verslag hoort een werkdocument van de diensten van de Commissie met een uitgebreide toelichting.

Achtergrond van het verslag

Artikel 225 (d) Vo 1308/2013 verplicht de Commissie tot het uitbrengen van een verslag aan het Europees Parlement (Parlement) en de Raad over de toepassing van de mededingingsregels op de landbouwsector. De Commissie is wel een beetje laat, want het verslag had uiterlijk op 31 december 2017 moeten zijn ingediend. In zowel het verslag als het werkdocument beschrijft de Commissie de in de landbouw toepasselijke mededingingsregels. Hierbij noemt de Commissie veel praktijkvoorbeelden. De onderzoeksperiode loopt van 1 januari 2012 tot midden 2017. |Dit heeft de Commissie niet belet ook te kijken naar de regels die vanaf 1 januari 2018 gelden.

Beschrijving van de in de landbouw toepasselijke mededingingsregels

Algemene voorzieningen voor erkende producentenorganisaties (PO’s)

Onder strikte voorwaarden, zoals gespecificeerd in het Franse witlof arrest, zijn de mededingingsregels “mogelijk” niet van toepassing op praktijken van producenten binnen een erkende PO of erkende unie van PO’s (UPO). Voorwaarde dat de entiteit is erkend en de praktijken strikt noodzakelijk zijn voor en evenredig aan het nastreven van de doelstellingen die door het VWEU aan de PO of de APO zijn toegewezen. Daarnaast is artikel 152 Vo 1308/2013 met ingang van 1 januari 2018 aangevuld met een expliciete afwijking van het Europese kartelverbod voor erkende PO's en UPO's. Om te worden erkend, moeten deze entiteiten een of meer in artikel 152 lid 2 Vo 1308/2013 genoemde activiteiten integreren en daadwerkelijk uitvoeren. Als hieraan is voldaan, kan de PO c.q. UPO de productie plannen, de producten van haar leden op de markt brengen en contractonderhandelingen aangaan namens haar leden.

De algemene landbouw “afwijking”

Artikel 209 Vo 1308/2013 bepaalt dat het kartelverbod niet van toepassing is op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen:

  1. die vereist zijn voor de verwezenlijking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), of
  2. van landbouwondernemers, verenigingen van landbouwondernemers of verenigingen van deze verenigingen en die betrekking hebben op de voortbrenging of de verkoop van landbouwproducten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor het opslaan, behandelen of verwerken van landbouwproducten, tenzij de doelstellingen van het GLB in gevaar worden gebracht.

Ten aanzien van beide uitzonderingen geldt dat de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen:

  • niet de verplichting mogen inhouden een bepaalde prijs toe te passen, of
  • de mededinging mogen uitsluiten.

Met ingang van 1 januari 2018 hebben partijen de mogelijkheid om de Commissie te vragen of hun praktijken verenigbaar zijn met de doelstellingen van het GLB.

Daarenboven biedt artikel 210 Vo 1308/2013 erkende brancheorganisaties de mogelijkheid om overeenkomsten of praktijken aan te melden bij de Commissie. Indien de Commissie geen bezwaar heeft, is het kartelverbod niet op de betreffende overeenkomsten of praktijken van toepassing. In het werkdocument onderstreept de Commissie wel dat artikel 210 Vo 1308/2013 uitsluitend geldt voor overeenkomsten en praktijken die voorafgaand aan de melding nog niet zijn geïmplementeerd.

Sectorspecifieke regels

*  Deze regeling  is met ingang van 1 januari 2018 geschrapt.

Vrijstellingen onder artikel 101 lid 3 VWEU

De Commissie wijst erop dat in de Richtsnoeren horizontale samenwerking diverse vormen van samenwerking worden beschreven die voor “coöperaties van landbouwers” en andere partijen actief in de voedselvoorzieningsketen interessant kunnen zijn. Landbouwers die hun producten gezamenlijk verwerken kunnen bovendien mogelijk profiteren van de Groepsvrijstelling specialisatieovereenkomsten. In sectoren waar de  producten normaliter niet verwerkt worden, is de genoemde groepsvrijstelling volgens de Commissie mogelijk niet relevant.

Commentaar

Sinds het Franse witlof arrest kan ook de Commissie er niet meer omheen: soms hebben de landbouwregels voorrang op de mededingingsregels. Veel woorden maakt de  Commissie er evenwel niet aan vuil. En dat is wel jammer, want nu weten we nog steeds niet wat in de visie van de Commissie de toegevoegde waarde is van de met ingang van 1 januari 2018 in artikel 152 Vo 1308/2013 geïntroduceerde vrijstelling voor PO’s en UPO’s. Wel stelt de Commissie dat deze vrijstelling de reden was om de regeling te schrappen die PO’s in de sectoren olijfolie, rundvlees en bepaalde akkerbouwgewassen toestond namens de leden contractonderhandelingen te voeren. Open blijft vervolgens ook de vraag waarom dezelfde regeling voor PO’s in de zuivelsector is gehandhaafd. Alles bij elkaar een gemiste kans!

In het werkdocument laat de Commissie aan de hand van veel voorbeelden zien of en zo ja op welke wijze de mededingingsregels in de landbouwpraktijk worden toegepast. Dit is heel nuttig. Zoals bekend, roepen de mededingingsregels in de landbouwpraktijk  met enige regelmaat vragen op. Het is wel alleen jammer dat van de meeste voorbeelden geen vindplaatsen worden vermeld. Dat maakt het lastig de voorbeelden te raadplegen. De omstandigheden van het geval zijn immers vaak doorslaggevend. Ondanks het aantoonbare nut, is het opmerkelijk dat de Commissie inmiddels heeft voorgesteld om artikel 225 (d) Vo 1308/2013 te schrappen. Voor de landbouwpraktijk is te hopen dat Parlement en Raad dit voorstel niet overnemen.

Eric Janssen, advocaat mededingingsrecht en GMO recht

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.