De forfaitaire compensatie voor passagiers van vertraagde vluchten: een nieuwe loterij?

In het arrest van 23 oktober 2012 (gevoegde zaken C-581/10 Nelson e.a. / Deutsche Lufthansa AG en C-629/10 TUI Travel e.a. / Civil Aviation Authority) bevestigt het Europees Hof van Jusititie dat passagiers van een langdurig vertraagde vlucht recht op vaste financiële compensatie hebben. Hiermee is een lange principiële rechtsstrijd tussen luchtvaartmaatschappijen en consumentenorganisaties beslecht in het voordeel van die laatste. Een overwinning voor het consumentenrecht, maar er doen zich in de praktijk situaties voor waarbij de toekenning van de vergoeding de beoogde doelstelling van een hoog niveau van bescherming van luchtreizigers voorbij kan schieten. Die bescherming is immers niet in de laatste plaats ook gelegen in de vliegveiligheid.

Sturgeon bevestigd
In overeenstemming met Europese Verordening 261/2004 kunnen passagiers van een geannuleerde vlucht, afhankelijk van de afstand van de vlucht, een forfaitaire compensatie van EUR 250, EUR 400 of EUR 600 vragen, tenzij de annulering het gevolg is van overmacht. In het Sturgeon arrest van 19 november 2009 (C-402/07 en C-432/07) heeft het Europees Hof van Justitie geoordeeld dat passagiers van een vlucht welke drie uur of langer vertraagd is gelijkgesteld moeten worden met passagiers van een geannuleerde vlucht voor wat betreft dat recht op compensatie. De verordening maakte dat onderscheid echter niet voor niets: annulering en vertraging zijn verschillend, hebben verschillende oorzaken en verschillende gevolgen, zo is bij de totstandkoming van de verordening door de wetgevers van de verordening overwogen. Het Ambtsgericht Köln, Duitsland, en de High Court of Justice, Verenigd Koninkrijk, wensten daarom verduidelijking omtrent de draagwijdte van het Sturgeon arrest en legden hierover opnieuw prejudiciële vragen voor aan het Europese Hof. Volgens consumentenorganisaties was er na Sturgeon echter geen enkele onduidelijkheid meer en moesten de luchtvaartmaatschappijen gewoon over de brug komen, alle argumenten voor het tegendeel ten spijt.

En het consumentenrecht heeft gezegevierd. In haar recente arrest van 23 oktober 2012 bevestigt het Hof de uitlegging die het in Sturgeon aan Verordening 261/2004 heeft gegeven. Het Hof herinnert eraan dat het gelijkheidsbeginsel verlangt dat passagiers van een vertraagde vlucht worden beschouwd als passagiers van een geannuleerde vlucht aangezien zij soortgelijk ongemak ondervinden, namelijk tijdverlies. Het Hof oordeelt voorts dat het toekennen van vaste compensatiebedragen voor een vertraagde vlucht verenigbaar is met het Verdrag van Montreal (Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, ondertekend te Montreal op 9 december 1999). Dat dwingendrechtelijke verdrag stelt bewijseisen aan een bij vertraging toe te kennen schadevergoeding. Het Hof oordeelt echter dat de 261/2004 compensatie een vergoeding is die naast het Verdrag van Montréal staat en geldt. Het tijdverlies valt volgens het Hof buiten het schadebegrip uit het Verdrag van Montréal. Volgens het Hof zijn de vaste vergoedingen in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel, dat verlangt dat passagiers en luchtvervoerders de omvang van hun rechten en plichten precies kennen. Tot slot oordeelt het Hof dat de compensatie strookt met het evenredigheidsbeginsel, dat vereist dat de handelingen van de instellingen van de Unie niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, en de veroorzaakte nadelen niet onevenredig zijn. Het Hof stelt vast dat de luchtvervoerder geen compensatie hoeft te betalen wanneer hij kan aantonen dat de annulering of de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden, dat wil zeggen omstandigheden waarop de luchtvaartmaatschappij zelf geen daadwerkelijke invloed heeft kunnen uitoefenen.

De Verordening 261/2004 beoogt volgens haar considerans een hoog niveau van bescherming van luchtreizigers te waarborgen en op deze considerans baseert het Hof haar redenering. Het door passagiers bij een vertraging geleden tijdverlies is onomkeerbaar, objectief en makkelijk kwantificeerbaar. Een maatregel die erin bestaat alle door dit ongemak getroffen passagiers onmiddellijk een forfaitaire financiële vergoeding te doen toekomen is volgens het Hof bijzonder geschikt om het beoogde doel te bereiken. Dat dit voor luchtvervoerders nadelige praktische en financiële gevolgen met zich brengt, doet daar niet aan af en kan niet als onevenredig worden beschouwd, aldus het Hof.

Commentaar
Dat luchtpassagiers een steuntje in de rug krijgen is positief. Er zijn echter situaties waarvan men zich af kan vragen of de forfaitaire compensatie daadwerkelijk geschikt en noodzakelijk is en de nadelen niet onevenredig zijn. Neem het voorbeeld van een vlucht van Amsterdam naar Londen waar door de passagiers rond de EUR 50 voor betaald is en, door een defect aan een meetinstrument van het toestel, een vertraging van drie uur en tien minuten oploopt. Het door de passagiers opgelopen tijdverlies is inderdaad onomkeerbaar, objectief en makkelijk kwantificeerbaar, namelijk drie uur en tien minuten. Volgens de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie is een dergelijk technisch mankement aan het toestel in beginsel geen buitengewone omstandigheid, tenzij het mankement voortvloeit uit gebeurtenissen die wegens hun aard of hun oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteiten van de luchtvaartmaatschappij. Hoewel bij vliegen met een defect meetinstrument de vliegveiligheid in gevaar zou komen, kwalificeert een dergelijke vertragingsoorzaak dus niet als overmacht. Derhalve is de luchtvervoerder in dit voorbeeld verplicht elke passagier EUR 250 uit te keren. Met deze compensatie krijgen de passagiers de door hun betaalde ticketprijs vergoed en houden zij nog eens EUR 200 over, vrij te besteden in Harrod’s. De compensatie die tijdverlies moet vergoeden schiet hier door naar een beloning en is in dit voorbeeld buitenproportioneel. Een vergoeding van EUR 250 aan een passagier die zelf EUR 50 voor zijn ticket betaalde is een onevenredige belasting voor de luchtvervoerder. De passagier is conform de vervoerovereenkomst naar de plaats van bestemming gebracht. Daarvoor moet deze luchtvervoerder nu aan die passagier een bedrag betalen dat de ontvangen prijs vijf maal overstijgt. Dat is uniek in de vervoerswereld. Bij trein-, bus- en scheepsvervoer is het te betalen geldbedrag wegens vertraging gerelateerd aan de prijs die is betaald voor het vervoersbewijs (vgl. EU-verordening 1371/2007, EU-Verordening 181/2011 en EU-Verordening 1177/2010). De toepassing van de Verordening op het onderhavige geval leidt tot totale disproportionaliteit. Het is in strijd met alle redelijkheid, billijkheid en proportionaliteit om een bedrag te vorderen dat de voor de prestatie zelf betaalde geldsom zo royaal overstijgt, terwijl de prestatie nota bene geleverd is.

Het Hof stelt in dit kader, onder verwijzing naar het Vodafone arrest van 8 juni 2010 (C-58/08), dat het belang van consumentenbescherming de voor sommige marktdeelnemers -zelfs aanzienlijke- negatieve financiële gevolgen kan rechtvaardigen. Daar voegt het Hof aan toe dat het aandeel vluchten waarvan de vertraging recht op compensatie zou geven minder dan 0,15% bedraagt. Met die rekenkundige stelling wordt het bezwaar van de onevenredig zware financiële last voor de luchtvervoerder van tafel geveegd. Het evenredigheidsbeginsel is echter tweeledig en voorziet niet alleen in de voorkoming van onevenredige nadelen, maar voorziet er ook in dat de handelingen van de instellingen van de Unie niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen van de betrokken regeling. Dat de passagiers zodoende in sommige gevallen een buitenproportioneel hoge vergoeding ontvangen wordt niet vermeld in het arrest van 23 oktober 2012.

Uiteraard zijn er situaties denkbaar waarbij de forfaitaire compensatie wel geschikt en noodzakelijk is. Bij buitensporig leed, urenlange wachttijden in drukke vertrekhallen met onvoldoende zitplaatsen en huilende kinderen is een financiële vergoeding een terechte pleister op de wonde. Het aangehaalde voorbeeld is echter geen bijzonder geval. Met name voor low cost carriers overstijgen de vaste compensatiebedragen de ticketprijs vele malen. Het Hof heeft blijkbaar de mogelijkheid van een buitenproportionele forfaitaire compensatie aanvaard. De doelstelling van bescherming van luchtreizigers en het kleine percentage vluchten waarvan de vertraging recht op compensatie geeft moeten kennelijk niet alleen de aanzienlijke negatieve financiële gevolgen voor luchtvervoerders, maar ook de mogelijkheid dat de luchtreiziger een buitenproportioneel hoge vergoeding ontvangt rechtvaardigen.

(Ongewenste) gevolgen
Sinds het Sturgeon arrest is er een ware claimcultuur ontstaan waarvan claimbedrijfjes profiteren. Deze claimbedrijven verzamelen gegevens van passagiers van vertraagde en geannuleerde vluchten en bestoken de luchtvaartmaatschappij al met claimbrieven als deze nog bezig is de omstandigheden van de vertraging of annulering te beoordelen, hetgeen op zichzelf al de nodige financiële lasten met zich brengt. Het claimbedrijf incasseert gemiddeld dertig procent van de door de luchtvaartmaatschappij betaalde bedragen en in de meeste gevallen nog meer, omdat alle ontvangen rente en kosten ook bij de incassoclub blijven hangen. Er moet voor gewaakt worden dat de compensatieverplichting en de claimcultuur niet ten koste gaan van de vliegveiligheid. Er mag geen stimulans zijn om, ondanks een technisch mankementje aan een toestel, een vlucht toch tijdig uit te voeren teneinde een langdurige vertraging te voorkomen en zodoende de vlucht niet verliesgevend te laten zijn.

Een logisch gevolg van de besproken jurisprudentie kan zijn dat luchtvervoerders de financiële last van deze verplichtingen in hun tarieven doorrekenen. Het is de vraag in hoeverre het consumentenbelang daarmee gediend is. Een ander gevolg zal zijn dat er zo nu en dan passagiers van een vlucht welke iets meer dan drie uur vertraagd is een prijscompensatie van EUR 250, EUR 400 of EUR 600 ontvangen voor het geleden tijdverlies. Kortom, luchtreizigers zullen wellicht meer voor hun vliegtickets gaan betalen, maar daarmee maken ze dan wel kans op een mooie bonus.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.