De inwerkingtreding van Boek 10 BW brengt een nieuw IPR zee-, binnenvaart- en luchtrecht, maar geen

De inwerkingtreding van Boek 10 BW brengt een nieuw IPR zee-, binnenvaart- en luchtrecht, maar geen koerswijziging mee

Sinds 1 januari 2012 bestaat ons Burgerlijk Wetboek (het feit dat boek 9 (nog) niet is ingevuld voor het gemak negerend) uit 10 delen, of beter gezegd boeken. Op die datum is namelijk Boek 10 BW Internationaal Privaatrecht in werking getreden. Bij het heffen van het glas op het jongste jaar, hebben wij dus onbewust ook een toost uitgebracht op deze nieuwste loot aan de stam van ons burgerlijk wetboek. Veel nieuws brengt Boek 10 BW ons echter niet, ook niet op het terrein van het zeerechtelijke IPR.

Boek 10 BW is meer een boek van samenvoeging en ordening, dan een boek van nieuw recht. Verschillende losse IPR-wetten die gedurende een wetgevingsproces van tientallen jaren als deelcodificaties tot stand waren gebracht, zoals bijvoorbeeld de Wet conflictenrecht namen, de Wet conflictenrecht corporaties en de Wet conflictenrecht goederenrecht, zijn nu in één keer bijeengebracht in een wetboek. Slechts op enkele punten heeft aanpassing  plaatsgevonden.

Het mag dan om een bundelingsoperatie gaan, wel betreft het een ‘thuiskomen’. Het kan niet vaak genoeg onderstreept worden dat internationaal privaatrecht – anders dan de naam doet vermoeden - onderdeel uitmaakt van het nationale civiele recht. Opname van de bepalingen uit een wet als de Wet conflictenrecht zee-, binnenvaart- en luchtrecht in het Burgerlijk Wetboek benadrukt dat het civiele recht de thuishaven is. Wel kan overigens nog getwijfeld worden aan de juistheid van het rugnummer. Het cijfer 10 is weliswaar een mooi rond getal. Bij de drie hoofdvragen van het internationaal privaatrecht, naar de bevoegdheid van de rechter, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging, gaat het echter om voorvragen, die bij iedere zaak met internationale aspecten vooraf gesteld en beantwoord dienen te worden.    

Wel nieuw is overigens dat in Titel 1 van Boek 10 BW algemene bepalingen van IPR zijn opgenomen. In feite gaat het ook daar echter hoofdzakelijk om vastlegging van hetgeen al geldend recht was. Het vermelden waard - ook met het oog op het handels- en transportrecht -, is wel dat onder meer de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad met ingang van 1 januari 2012 is komen te vervallen. Wat dat betreft wordt Verordening (EG) 864/2007 ‘Rome II’, dat een ruim, want universeel, bereik heeft en van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen vanaf 11 januari 2009, geacht de lading te dekken. 

Boek 10 BW bestaat uit 165 wetsartikelen verdeeld over in totaal vijftien titels. Voor het handels- en transportrecht is met name Titel 15 "enkele bepalingen met betrekking tot het zeerecht, het binnenvaartrecht en het luchtrecht" (de artikelen 10:160 tot en met 10:165 BW) van belang. Dat betreft de overheveling van de bepalingen van de Wet van 18 maart 1993, houdende enige bepalingen van internationaal privaatrecht met betrekking tot het zeerecht, het binnenvaartrecht en het luchtrecht (hierna kortweg: de Wet conflictenrecht zee-, binnenvaart en luchtrecht) naar Boek 10 BW.

Mijn bedoeling is de artikelen in het hiernavolgende kort na te lopen om aan te geven of er verschillen zijn en, zo ja, welke. Voor wie uitgebreider bij de materie wil stilstaan verwijs ik naar het artikel "Titel 15 van Boek 10 BW: Het nieuwe ‘natte’ IPR (art. 10:160 t/m 10:165 BW) van de hand van Eckoldt en ten Bruggencate in het Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (‘WPNR’), nummer 6852 van jaargang 141.

Een laatste opmerking van algemene aard verdient vooraf nog wel vermelding. Net als de oude Wet conflictenrecht zee-, binnenvaart en luchtrecht  bevat Titel 15 van Boek 10 BW niet al het internationaal privaatrecht dat voor het zee-, binnenvaart en luchtrecht van belang is. Sterker nog, voor het antwoord op de voornaamste vraag, namelijk die naar het op de vervoerovereenkomst toepasselijke recht, moet men niet bij Boek 10 BW te rade gaan, maar bij de supranationale bron Verordening (EG) nummer 593/2008 ‘Rome I’. Buiten het geval van een rechtskeuze op grond van artikel 3 Rome I, geeft artikel 5 regels voor het nationale recht dat de vervoerovereenkomst bij vervoer van goederen maar ook personen beheerst. Zoals artikel 10:1 BW terecht – maar in mijn ogen ten overvloede – dicteert gaat internationaal privaatrecht uit een supranationale bron, voor op ‘nationaal’ internationaal privaatrecht. Het op een vervoerovereenkomst toepasselijke recht zoekt en vindt men dus in Rome I.  

Artikel 10:160 BW
Deze bepaling is de opvolger van artikel 3 van de Wet conflictenrecht zee-, binnenvaart en luchtrecht. De equivalent van artikel 1 van de Wet conflictenrecht zee-, binnenvaart en luchtrecht is overigens terug te vinden in artikel 10:5 BW (afwijzing renvoi). Artikel 2 is via de omweg van de Wet conflictenrecht goederenrecht in artikel 10:127 BW terecht gekomen. Artikel 10:160 BWgaat over het recht dat het bestaan en de omvang van een vordering en de rangorde van voorrechten beheerst wanneer in Nederland in geval van faillissement of een andere vorm van uitwinning de opbrengst van een teboekstaand schip wordt verdeeld. Er is weinig nieuws onder de zon. In lid 1 is het woord ‘gerechtelijk’ komen te vervallen om duidelijk te maken dat ook buitengerechtelijke executie binnen het bereik valt. Lid 4 is nieuw en is de vastlegging van de Hanjin Oakland-jurisprudentie. De vraag naar de verhaalbaarheid van een vordering op en de beslagmogelijkheden ten aanzien van een teboekstaand schip tegen de eigenaar van een schip maar ook tegen een ander dan de eigenaar van een schip, wordt ook door de wetbepaling bestreken. Hier geldt de bekende dubbele toets. Zowel de lex causae als de lex registrationis moet groen licht geven.

Artikel 10:161 BW
Dit artikel geeft regels voor het toepasselijk recht in geval van een zogenoemde ‘paardensprong’ (lid 1) respectievelijk ‘parallelsprong’ (lid 2). De wettekst is identiek aan die van artikel 4 Wet conflictenrecht zee-, binnenvaart en luchtrecht. Ingeval van een paardensprong wordt een partij op buitencontractuele grondslag aangesproken door een derde (geen contractspartij van hem) en rijst (meestal in het kader van de keten van exploitatieovereenkomsten) de vraag of deze partij zich ter verdediging kan beroepen op bepalingen uit een door hemzelf of een ander gesloten overeenkomst. Artikel 10:161 lid 1 BW bepaalt dat die vraag wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de buitencontractuele vordering. Dan komt men dus bij Rome II uit. Omdat het krachtens Rome II op de niet-contractuele verbintenis toepasselijke recht, een breder spectrum aan vragen beantwoordt, waaronder ook de mogelijkheid tot uitsluiting en beperking van aansprakelijkheid (zie artikel 15 Rome II), lijkt artikel 10:161 lid 1 BW strikt genomen overbodig.

Lid 2 ziet op de situatie dat de ene partij bij een contract zijn wederpartij, ondanks het bestaan van een contractuele rechtsverhouding, aanspreekt op grond van een niet-contractuele grondslag. Dan blijft het – aan de hand van Rome I te bepalen - op de overeenkomst toepasselijke recht bepalend voor de vraag of het contract kan worden ingeroepen. Rome I en Rome II worden uiteraard geacht naadloos aan te sluiten. In het grensgebied is echter juridische fijnslijperij denkbaar. Niet altijd zal haarscherp duidelijk zijn of sprake is van een contractuele dan wel een niet-contractuele verbintenis. En aan de hand van welk recht moet dat eigenlijk worden bepaald?

Artikel 10:162 BW
De ingewikkelde materie van het internationaal privaatrecht met betrekking tot de actieve en passieve legitimatie uit cognossement staat nu in artikel 10:162 BW. Dit artikel brengt geen vernieuwing ten opzichte van het oude artikel 5 Wet conflictenrecht zee-, binnenvaart en luchtrecht. Dus blijft het recht van de loshaven bepalend voor zowel de vraag wie als vervoerder onder een cognossement zijn aan te merken (dat kunnen eventueel meerdere partijen tegelijk zijn) en wie jegens de vervoerder(s) uit cognossement drager zijn van de uit het cognossement voortvloeiende rechten. Ten aanzien van kwesties rondom het ter beschikking stellen en de inlading moet het recht van de laadhaven evenwel geraadpleegd worden.

Artikel 10:163 BW
Artikel 10:163 BW gaat over het retentierecht en het onderzoek naar lading. Het betreft een ongewijzigde overname van artikel 6 Wet conflictenrecht zee-, binnenvaart en luchtrecht.

Artikel 10:164 BW
Artikel 10:164 BW gaat over aanvaringen. Rome II bestrijkt deze materie in principe ook. Artikel 10:164 BW geeft een vangnetbepaling voor aanvaringen op volle zee, waarop Rome II in principe niet van toepassing is, omdat er geen land is waar de schade zich voordoet. Van artikel 7 Wet conflictenrecht zee-, binnenvaart en luchtrecht dat een uitgebreide regel voor ‘eigenlijke’ aanvaringen gaf, is niet veel over.

Artikel 10:165 BW
Artikel 10:195 BW over de erkenning van rechten op luchtvaartuigen, dat artikel 8 Wet conflictenrecht zee-, binnenvaart en luchtrecht opvolgt, laat ik verder onbesproken. Hier is wederom geen sprake van inhoudelijke wijzigingen.

Overgangsrecht
Voor het overgangsrecht verwijs ik naar artikel II van de Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 BW. Dat wijzigt het opschrift van Titel 3 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek, zodat deze titel, die de algemene overgangsbepalingen bevat, ook ziet op Boek 10 BW. Het algemene uitgangspunt - directe werking – geldt dus ook ten aanzien van Boek 10 BW. Dit is natuurlijk vooral van belang in situaties waarin wel sprake is van een inhoudelijke wijziging.

Conclusie
Ik kom tot de slotsom dat Titel 15 van Boek 10 BW weinig nieuws brengt. Het lijkt er op dat transportrechtspecialisten (en anderen die zich wagen aan het stellen en beantwoorden van veelal lastige vragen op het terrein van het internationaal privaatrecht in transportzaken), bij rustig water kunnen doorvaren. Van een koerswijziging is geen sprake. 

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.