De opzegging van distributieovereenkomsten, hoe zit het?

In een arrest van 5 januari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:18) heeft het gerechtshof Amsterdam zich uitgelaten over de vraag of bij de opzegging van twee distributie-overeenkomsten voor onbepaalde tijd een redelijke opzegtermijn in acht was genomen. In beide gevallen hadden partijen meer dan 30 jaar samengewerkt. Het hof oordeelde met de rechtbank dat de door de leverancier in acht genomen opzegtermijn van (bijna) een jaar niet te kort was en daardoor niet onredelijk was. Het arrest van het gerechtshof vormt een mooie aanleiding om stil te staan bij de vraag wanneer een distributieovereenkomst opzegbaar is en welke opzegtermijn daarbij in acht moet worden genomen. In dit artikel zal aan de hand van jurisprudentie en literatuur een antwoord worden gegeven op deze vragen. Voorts zal aandacht worden besteed aan de verplichtingen van partijen tijdens de duur van de opzegtermijn en de eventuele verschuldigdheid van een schadevergoeding.

Definitie distributieovereenkomst

De distributieovereenkomst is geen wettelijk benoemde overeenkomst. In de literatuur wordt de distributieovereenkomst gedefinieerd als een duurovereenkomst waarbij de ene partij, de leverancier, zich verplicht bepaalde producten of diensten te leveren aan zijn wederpartij, de distributeur, met het oog op doorlevering van die producten of diensten aan afnemers van die distributeur voor rekening en risico van de distributeur en in diens naam.1 De distributeur onderscheidt zich daarmee van de handelsagent zoals bedoeld in art. 7:428 BW. De handelsagent handelt niet in eigen naam, maar sluit overeenkomsten op naam en voor rekening van zijn principaal of bezorgt hem orders.2

Opzegging distributieovereenkomst bepaalde tijd

Distributieovereenkomsten kunnen net als andere overeenkomsten worden aangegaan voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. Een distributieovereenkomst die is aangegaan voor bepaalde tijd is in beginsel niet opzegbaar. Tussentijdse opzegging is slechts mogelijk indien partijen anders zijn overeengekomen of als sprake is van onvoorziene omstandigheden, die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van zo ernstige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten. Dit laatste volgt uit een arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 1988 (ECLI:NL:HR:1988:AD0483) -Mondia/Calanda-. Maar wanneer is sprake van onvoorziene omstandigheden die van zo ernstige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen instandhouding van de distributieovereenkomst mag verwachten? Voor de beantwoording van deze vraag kan aansluiting worden gezocht bij jurisprudentie over duurovereenkomsten in het algemeen. Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 maart 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:1764) is daarbij relevant.

In de zaak die aanleiding was voor dit arrest had de gemeente Ede als verhuurder enkele ruimtes in een loods van de voormalige Prins Mauritskazerne te Ede verhuurd. De gemeente heeft de huurovereenkomst tussentijds opgezegd. De gemeente constateerde bij herhaling dat de huurder gebruik maakte van de zolder van de loods, die van het gehuurde geen deel uitmaakte. Op enig moment heeft de gemeente een deurwaarder opdracht gegeven de zolderruimte af te sluiten met een hangslot. Dat hangslot heeft de huurder verbroken en vervangen door een eigen hangslot. Voorts heeft de huurder zonder toestemming van de gemeente als verhuurder in de gemeenschappelijke ruimte een douche geïnstalleerd. Het hof oordeelde dat het in gebruik nemen van een niet-verhuurde ruimte, het verbreken van een in opdracht van de gemeente aangebracht slot, het geen gevolg geven aan een sommatie om de niet-verhuurde ruimte te ontruimen, het zonder toestemming van de gemeente wijzigen van de inrichting van het gehuurde en het geen gevolg geven aan een sommatie om die wijziging ongedaan te maken, kwalificeren als onvoorziene, niet in de huurovereenkomst verdisconteerde omstandigheden, die niet voor rekening van de gemeente komen en die van zo ernstige aard zijn dat de huurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mocht verwachten.

Om te voorkomen dat opzegging van de overeenkomst alleen mogelijk is in geval van onvoorziene omstandigheden zoals hiervoor genoemd, is het raadzaam een regeling op te nemen in de distributieovereenkomst die voorziet in tussentijdse opzegging van de overeenkomst voor bepaalde tijd. Van een dergelijke regeling was sprake in een recent arrest van het gerechtshof Amsterdam.3 In de zaak die aanleiding was voor dit arrest hadden aannemingsbedrijf X en woningcorporatie Parteon een aannemings-overeenkomst en een onderhoudsovereenkomst gesloten. De aannemings-overeenkomst was aangegaan voor de duur van twee jaar en werd steeds stilzwijgend met een periode van een jaar verlengd. De aannemingsovereenkomst bepaalde dat zowel aannemingsbedrijf X als Parteon gerechtigd was de overeenkomst bij aangetekend schrijven te beëindigen wanneer de andere partij zijn verplichtingen uit de overeenkomst na schriftelijke sommatie niet, niet correct of niet tijdig zou nakomen. Op enig moment heeft Parteon aannemingsbedrijf X ermee geconfronteerd dat hij werkzaamheden in rekening had gebracht bij Parteon die niet waren uitgevoerd. Na dit gesprek heeft Parteon geen opdrachten meer verstrekt aan aannemingsbedrijf X. De overeenkomsten tussen partijen zijn daarmee onmiddellijk beëindigd. Aannemingsbedrijf X stelde Parteon aansprakelijk en sommeerde laatstgenoemde tot betaling van een schadevergoeding stellende dat een geldige opzegging zou ontbreken. De rechtbank Haarlem verklaarde voor recht dat Parteon de aannemingsovereenkomst tijdens de geldende opzegtermijn niet was nagekomen en dat Parteon aansprakelijk was voor de schade van aannemingsbedrijf X als gevolg van de tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en de onderhoudsovereenkomst. Het gerechtshof Amsterdam overwoog dat indien zou komen vast te staan dat aannemingsbedrijf X zich schuldig had gemaakt aan het herhaaldelijk, stelselmatig en op grote schaal factureren van werkzaamheden die in werkelijkheid niet zijn uitgevoerd, Parteon daarmee gerechtigd was tot het onmiddellijk beëindigen van de relatie tussen partijen. Het in acht nemen van een opzegtermijn kon in dat geval in redelijkheid niet van Parteon worden gevergd. Zowel de aannemingsovereenkomst als de onderhoudsovereenkomst kon dan met onmiddellijke ingang worden opgezegd. Gelet op de ernst van de tekortkomingen van aannemingsbedrijf X lijkt het overigens voor de hand te liggen dat tussentijdse opzegging in het onderhavige geval ook mogelijk was indien de aannemingsovereenkomst niet in een daartoe strekkende regeling zou hebben voorzien.

Opzegging distributieovereenkomst onbepaalde tijd

Een distributieovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan en waarvoor geen contractuele opzeggingsregeling geldt, is in beginsel opzegbaar. In dit kader is het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011, (ECLI:NL:HR:2011:BQ9854) -Gemeente De Ronde Venen/Stedin- van belang. De Hoge Raad overwoog in dit arrest dat of en, zo ja, onder welke voorwaarden een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Zoals gezegd is een distributieovereenkomst een duurovereenkomst. Voorts overwoog de Hoge Raad dat indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad verwees naar zijn arrest van 3 december 1999, (ECLI:NL:HR:1999:AA3821) -Latour/De Bruijn-. Het ging in dit arrest om het Franse wijnhuis ("Latour") dat een distributieovereenkomst met een Nederlandse wijnkoperij ("De Bruijn") had opgezegd. Partijen hadden ruim honderd jaar zaken met elkaar gedaan. Volgens De Bruijn was in de overeenkomst niet voorzien in een opzegregeling en moest Latour voor opzegging van de distributieovereenkomst een gegronde reden aanvoeren. Van een gegronde reden was volgens De Bruijn geen sprake. Het hof stelde De Bruijn in het gelijk. In cassatie voerde Latour aan dat het hof zou hebben miskend dat een distributieovereenkomst als de onderhavige altijd opzegbaar is in dier voege dat de leverancier ook zonder grond mag opzeggen en dat die opzegging altijd tot gevolg heeft dat de overeenkomst wordt beëindigd. De Hoge Raad oordeelde dat deze opvatting van Latour in het algemeen geen steun vindt in het recht. De Hoge Raad overwoog dat bij gebreke van een wettelijke of contractuele regeling daaromtrent de vraag of de opzegging in een concreet geval het beoogde rechtsgevolg had, zal moeten worden beantwoord aan de hand van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval. Ook indien uit de aard van een specifieke distributieovereenkomst zou volgen dat zij in beginsel zonder meer opzegbaar is, kunnen aldus de Hoge Raad de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts tot beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. De Hoge Raad verwierp het beroep van Latour.

In een arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ4136) ging het om de vraag of de omstandigheden van het geval meebrachten dat een zwaarwegende grond voor opzegging zoals ook genoemd in het arrest Latour/De Bruin aanwezig moest zijn. Het ging in dit arrest om een door Auping, producent van bedden, matrassen en aanverwante artikelen, in verband met een nieuwe distributiestrategie opgezegde distributieovereenkomst met haar dealer Beverslaap. Bij zijn oordeel dat in het aan de orde zijnde geval, gelet op de bijzonderheden daarvan, sprake moest zijn van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging, achtte het hof Leeuwarden met name van belang dat Beverslaap en een aan haar gelieerd bedrijf voor een groot deel afhankelijk waren van de omzet in Auping-producten. Dat Beverslaap en Auping ten tijde van de opzegging al 8,5 jaar zaken met elkaar hadden gedaan, legde volgens het hof ook enig gewicht in de schaal, terwijl de omstandigheid dat in de daaraan voorafgaande jaren sprake was geweest van een zakenrelatie tussen de winkel en Auping, dan wel tussen de grootaandeelhouder en middellijk bestuurder van Beverslaap volgens het hof marginaal meetelde. De Hoge Raad oordeelde dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden niet zonder meer meebrachten dat een zwaarwegende grond voor de opzegging van de bestaande commerciële relatie aanwezig moest zijn. De door het hof in aanmerking genomen omstandigheden konden eventueel wel meebrengen dat een langere opzegtermijn in acht moest worden genomen of dat een (schade)vergoeding moest worden geboden.

In acht te nemen opzegtermijn

Uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011, (ECLI:NL:HR:2011:BQ9854) -Gemeente De Ronde Venen/Stedin- volgt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid, in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen. De in acht te nemen redelijke opzegtermijn dient om de andere partij de gelegenheid te geven zich voor te bereiden op het moment dat de overeenkomst daadwerkelijk beëindigd is en de mogelijkheid te bieden de nodige maatregelen te nemen, zoals bijvoorbeeld het zoeken van een nieuwe leverancier.4 Andere omstandigheden die relevant zijn bij het bepalen van de duur van de in acht te nemen opzegtermijn zijn onder meer de duur van de op te zeggen overeenkomst, de mate waarin investeringen zijn verricht door de opgezegde partij en de tijd die nodig is om die terug te verdienen.

In het in de inleiding genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2016:18) kwam het gerechtshof tot het oordeel dat een opzegtermijn van (bijna) een jaar niet te kort was en daardoor niet onredelijk was. Het ging in dit arrest om distributeurs X Verf en Y die ieder meer dan 30 jaar als distributeur actief waren geweest voor (de rechtsvoorgangers van) PPG. Aan haar stelling dat de door PPG gehanteerde opzegtermijn van een jaar te kort was, heeft X Verf onder meer ten grondslag gelegd dat zij van PPG afhankelijk is, omdat haar exploitatiekosten in belangrijke mate aan de door PPG geproduceerde verf van het merk Sigma zijn toe te schrijven, zij een voorraad Sigma-producten heeft, zij speciaal getraind personeel heeft en zij meerjarige onderhoudsprogramma's heeft met Sigma-producten. De rechtbank en het hof kwamen echter tot het oordeel dat X Verf er mede gezien het door PPG gevoerde verweer, niet in geslaagd was ten aanzien van deze punten een begin van bewijs te leveren. Zonder toelichting, die volgens het hof ontbrak, kon niet worden aangenomen dat ten tijde van de opzegging voorzienbaar was althans serieus rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat X Verf er niet in zou slagen haar bedrijfsvoering binnen één jaar na de opzegging aan te passen aan de situatie dat zij geen Sigma meer zou kunnen verkopen. Het hof nam in aanmerking dat X Verf reeds voor de opzegging van de distributieovereenkomst het dealerschap van een met Sigma concurrerend merk had verkregen en dat tussen partijen vast stond dat PPG X Verf nog tot het einde van de opzegtermijn met Sigma heeft willen beleveren. Ook het door X Verf niet weersproken belang van PPG bij een sluitend selectief distributiestelsel heeft het hof meegewogen. Het hof kwam tot de conclusie dat de door PPG gehanteerde opzegtermijn van een jaar niet te kort en daardoor niet onredelijk was. Noch de lange duur van de tussen partijen ten tijde van de opzegging bestaande relatie noch de omstandigheid dat X Verf nooit klachten had ontvangen over haar werkwijze of haar omzet deden hieraan af, aldus het hof.

Verplichtingen tijdens de duur van de opzegtermijn

Tijdens de looptijd van de opzegtermijn dienen partijen zo veel mogelijk uitvoering te blijven geven aan de overeenkomst. Zo moet een distributeur tijdens de opzegtermijn orders kunnen blijven plaatsen. In een arrest van 29 mei 1998, (ECLI:NL:HR:1998:ZC2657) -Elinga/British Wool- heeft de Hoge Raad zich hierover uitgelaten. Elinga was vanaf december 1987 exclusief distributeur voor British Wool in Nederland ter zake van de gebreide kledingcollectie van British Wool, onder meer bestaande uit wollen vesten, sweaters en truien. British Wool handelde in deze als tussenpersoon aangezien zij de kleding op haar beurt weer van derden-fabrikanten betrok. Na een proefperiode van een jaar hebben partijen besloten de samenwerking voort te zetten, waartoe zij in november 1988 een nieuwe distributieovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben gesloten met een opzegtermijn van drie maanden. In 1990 heeft British Wool de distributieovereenkomst met Elinga eenzijdig opgezegd. Elinga heeft zich in de procedure op het standpunt gesteld dat een redelijke interpretatie van de rechten en plichten van partijen gedurende de opzegtermijn inhoudt dat ook de door Elinga daags na de opzegging geboekte voorjaarsorder door British Wool diende te worden nagekomen. Elinga vorderde onder meer een schadevergoeding wegens gederfde winst met betrekking tot de voorjaars-/zomerorder waartoe British Wool aan Elinga geen gelegenheid heeft geboden deze te plaatsen. Het gerechtshof Leeuwarden overwoog dat het standpunt van Elinga dat partijen gedurende de looptijd van de opzeggingstermijn, zoveel als redelijkerwijs mogelijk, uitvoering dienen te blijven geven aan de opgezegde overeenkomst bijval verdient en dat dit meebrengt dat - in beginsel - ook nog nieuwe orders kunnen worden geplaatst, voor zover deze orders qua inhoud en daarmee gepaard gaand tijdsbeslag in overeenstemming zijn met hetgeen gebruikelijk is in de tot dan bestaande handelsrelatie tussen partijen. Volgens de Hoge Raad geeft deze overweging geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet indien ervan wordt uitgegaan dat, zoals in dit geval, door de leverancier is opgezegd op grond van het feit dat haar onderneming zal worden geliquideerd wegens tegenvallende resultaten. De Hoge Raad overwoog dat het hof - blijkens de woorden 'in beginsel' - ook niet heeft miskend dat bij het vaststellen van de rechten en verplichtingen van partijen in de periode tussen de opzegging en de dag waartegen is opgezegd, alle relevante omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen en niet slechts de inhoud, het tijdsbeslag en hetgeen gebruikelijk is in de handelsrelatie tussen partijen.

De weinig concrete norm die uit het arrest Elinga/British Wool kan worden afgeleid, biedt in de praktijk niet veel houvast. Het is daarom verstandig om in de distributieovereenkomst vast te leggen wat partijen tijdens de opzegtermijn precies van elkaar mogen verwachten. Hierbij valt niet alleen te denken aan de mogelijkheid om orders te plaatsen, maar bijvoorbeeld ook aan de vraag of en in hoeverre tijdens de opzegtermijn minimale afnameverplichtingen gelden.

Schadevergoeding

Indien de distributieovereenkomst wordt opgezegd zonder inachtneming van een redelijke opzegtermijn, is de opzegging in de regel nietig. Met enige regelmaat oordeelt een rechter evenwel dat de opzegging effect heeft, maar dat ter compensatie voor het niet in acht nemen van een redelijke opzegtermijn een schadevergoeding moet worden betaald.5 Ook wanneer de contractueel overeengekomen opzegtermijn niet in acht wordt genomen, wordt ter compensatie wel een schadevergoeding toegekend. Dit was onder meer het geval in de zaak die aanleiding vormde voor het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2009, (ECLI:NL:HR:2009:BG6231). In deze zaak was een distributieovereenkomst met betrekking tot machines in enkele voormalige Oostbloklanden niet met inachtneming van de in de overeenkomst vastgelegde opzegtermijn van zes maanden opgezegd. In cassatie werd de wijze waarop het hof de aan de opgezegde partij toekomende schadevergoeding als gevolg van de onregelmatige beëindiging had berekend aan de orde gesteld. Het hof had de schadevergoeding gesteld op 15% van het bedrag van de verkooporders die in de geldende opzegtermijn in het exclusieve verkoopgebied van de distributeur waren bewerkstelligd. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand.

Ook bij een regelmatige opzegging van een distributieovereenkomst kan op grond van redelijkheid en billijkheid een schadevergoeding verschuldigd zijn, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 1991, (ECLI:NL:HR:1991:ZC0291) -Mattel/Borka-. Het ging in dit arrest om de opzegging van de distributieovereenkomst tussen speelgoedfabrikant Mattel en haar distributeur Borka. Mattel had een opzegtermijn van vijf en een halve maand in acht genomen. Het hof overwoog dat Mattel onder de omstandigheden van het geval schadeplichtig was jegens Borka. Volgens het hof had Borka zich met het oog op haar distributeurschap ten behoeve van Mattel aanzienlijke investeringen getroost en had zij verkoopkosten gemaakt. Het ging hier met name om de aanzienlijke reclamekosten, de kosten voor een nieuwe showroom die voor 35% bestemd was voor Mattelproducten en de extra kosten voor afvloeiing van overtollig geworden personeel. Ook al was naar het oordeel van het hof gelet op de belangen van beide partijen de gehanteerde opzegtermijn van vijf en een halve maand op zichzelf niet onredelijk of onbillijk dan nog eisten de redelijkheid en billijkheid gelet op voormelde kosten en uitgaven, dat Mattel in wier - op zichzelf niet ongerechtvaardigd - belang de beëindiging van het distributeurschap van Borka plaatsvond, de door Borka vergeefs gemaakt kosten voor haar rekening nam. De Hoge Raad overwoog dat bij een duurovereenkomst als waarvan in het onderhavige geval sprake was, het kan voorkomen dat de partij tot wie de opzegging is gericht, met het oog op het voortduren van de overeenkomst investeringen heeft gedaan welke niet enkel worden gecompenseerd door, of verdisconteerd in, een bepaalde opzegtermijn, waarvan de duur immers mede wordt bepaald door de belangen van de opzeggende partij. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kunnen ondanks de redelijke duur van de opzegtermijn de eisen van redelijkheid en billijkheid nopen tot toekenning van een schadevergoeding, aldus de Hoge Raad.

Conclusies

De distributieovereenkomst is geen wettelijk benoemde overeenkomst. In de literatuur wordt de distributieovereenkomst gedefinieerd als een duurovereenkomst waarbij de ene partij, de leverancier, zich verplicht bepaalde producten of diensten te leveren aan zijn wederpartij, de distributeur, met het oog op doorlevering van die producten of diensten aan afnemers van die distributeur voor rekening en risico van de distributeur en in diens naam. Een distributieovereenkomst die voor bepaalde tijd is aangegaan is in beginsel niet opzegbaar. Tussentijdse opzegging is slechts mogelijk indien partijen anders zijn overeengekomen of als sprake is van onvoorziene omstandigheden, die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van zo ernstige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten. Het is raadzaam om in een distributieovereenkomst die wordt aangegaan voor bepaalde tijd een regeling op te nemen die voorziet in tussentijdse beëindiging. Een distributie-overeenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan en waarvoor geen contractuele opzeggingsregeling geldt, is in beginsel opzegbaar. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. De in acht te nemen redelijke opzegtermijn dient om de andere partij de gelegenheid te geven zich voor te bereiden op het moment dat de overeenkomst daadwerkelijk beëindigd is en de mogelijkheid te bieden de nodige maatregelen te nemen, zoals bijvoorbeeld het zoeken van een nieuwe leverancier. Tijdens de looptijd van de opzegtermijn dienen partijen zo veel mogelijk uitvoering te blijven geven aan de overeenkomst. Dit brengt mee dat een distributeur in beginsel tijdens de opzegtermijn orders moet kunnen blijven plaatsen. Het is verstandig om in de distributieovereenkomst concreet vast te leggen wat partijen gedurende de opzegtermijn van elkaar mogen verwachten. Zowel bij onregelmatige als bij regelmatige opzegging van een distributieovereenkomst kan grond bestaan voor betaling van een schadevergoeding.

Noten

  1. J.M. Barendrecht en G.R.B. van Peursem, Distributieovereenkomsten, Deventer: Kluwer, 1997, p. 3.
  2. Castermans & Krans, T&C Burgerlijk Wetboek, art. 7:428 BW, aant. 2 sub b.
  3. Gerechtshof Amsterdam 1 september 2015, (ECLI:NL:GHAMS:2015:3603).
  4. Asser/Houben 7-X 2015/128.
  5. Asser/Houben 7-X 2015/131.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.