De papieren vervoerder als ‘opvolgend vervoerder’; doel en strekking opvolgend vervoer regeling

Dit artikel - met oorspronkelijke titel 'De papieren vervoerder als ‘opvolgend vervoerder’; doel en strekking van de opvolgend vervoer regeling in artikel 34 e.v. CMR.' - verscheen in Juridisch Up to Date / Nummer 19 / 22 oktober 2015

Rubrieksauteur: mr. J.V. Tetelepta

Gastauteur: mr. M.A.R.C. Padberg

Met zijn uitspraak van 11 september 2015 [ECLI:NL:HR:2015:2528] schudt de Hoge Raad de kaarten voor de invulling van het begrip ‘opvolgend vervoerder’ ingevolge artikel 34 CMR nog eens goed en legt hij de spelregels van het aansprakelijkheidsregime voor verhaal tussen vervoerders onderling voor aan ladingbelanghebbenden gedane schadevergoedingen nog eens uit.

Feiten

De Duitse vervoerder TransOflex heeft in januari 2005 als wederpartij van computerfabrikant (afzender/ladingbelanghebbende) HP opdracht aan collega-vervoerder Beurskens gegeven om computerapparatuur over de weg van Nederland naar Duitsland te vervoeren. Beurskens heeft het vervoer vervolgens weer uitbesteed aan collega-vervoerder Veldhuizen. Veldhuizen neemt de goederen op 21 januari 2005 in ontvangst met de bedoeling deze op 24 januari 2005 in Duitsland af te leveren. In het weekend van 22 en 23 januari 2005 staat de vrachtwagencombinatie op het eigen bedrijfsterrein van Veldhuizen geparkeerd. Een deel van de lading wordt gestolen. In april 2006 betaalt Beurskens middels verrekening door TransOflex een bedrag van € 27.448,50, gelijk aan de factuurwaarde van de gestolen goederen, aan deze. Bij nadien gewezen vonnis van 11 september 2007 veroordeelt het Landgericht Hanau (Duitsland) Beurskens om het hiervoor genoemde bedrag, vermeerderd met rente, aan TransOflex te betalen. Volgens het Landgericht komt aan Beurskens geen beroep toe op de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 23 CMR (te weten van 8,33 SDR per kilo verloren dan wel beschadigd gewicht), omdat Veldhuizen ‘Gross Fahrlassig’ zou hebben gehandeld in de zin van artikel 29 CMR. Het tegen het vonnis van het Landgericht ingestelde hoger beroep is op 6 mei 2008 door het Oberlandesgericht Frankfurt am Main afgewezen. Vervolgens heeft Beurskens ook het op grond van het vonnis van het Landgericht verschuldigde bedrag aan rente voldaan aan TransOflex. Beurskens vordert aansluitend in Nederland een verklaring voor recht dat Veldhuizen gehouden is haar te vrijwaren voor alle geleden en nog te lijden schade. Aan haar vordering legt Beurskens ten grondslag dat Veldhuizen is aan te merken als opvolgend vervoerder in de zin van artikel 34 CMR en dat Veldhuizen aldus op grond van artikel 37 CMR is gehouden de schadevergoeding die Beurskens op basis van de Duitse procedure aan TransOflex heeft betaald, op haar beurt weer aan Beurskens te voldoen. 

In het kader van de bespreking van deze uitspraak zijn meer specifiek van belang de artikelen 34, 37 respectievelijk 39 CMR. Deze luiden voor zover ten deze relevant achtereenvolgens als volgt;

Artikel 34; ‘Indien een vervoer, onderworpen aan één enkele overeenkomst, wordt bewerkstelligd door opvolgende wegvervoerders, worden de tweede en ieder van de volgende vervoerders door inontvangstneming van de goederen en van de vrachtbrief partij bij de overeenkomst op de voorwaarden van de vrachtbrief en wordt ieder van hen aansprakelijk voor de bewerkstelliging van het gehele vervoer’.

Artikel 37; ‘De vervoerder, die een schadevergoeding heeft betaald uit hoofde van de bepalingen van dit Verdrag, heeft recht van verhaal voor de hoofdsom, rente en kosten tegen de vervoerders, die aan de uitvoering van de vervoerovereenkomst hebben deelgenomen, overeenkomstig de volgende bepalingen:

a)     de vervoerder, door wiens toedoen de schade is veroorzaakt, draagt de schadevergoeding alleen, onverschillig of deze door hemzelf of door een andere vervoerder is betaald’ (etc.)

Artikel 39; ‘1. De vervoerder, op wie verhaal wordt uitgeoefend ingevolge de artikelen 37 en 38, is niet gerechtigd de gegrondheid van de betaling door de vervoerder, die het verhaal uitoefent, te betwisten, wanneer de schadevergoeding is vastgesteld bij rechterlijke uitspraak, mits hij behoorlijk van het rechtsgeding in kennis is gesteld en hij gelegenheid heeft gehad om daarin zich te voegen of tussen te komen’ (etc.).

Uitspraak

Evenals de Rechtbank wijst het Hof de vordering van Beurskens toe, met de overweging dat Veldhuizen moet worden aangemerkt als opvolgend vervoerder in de zin van artikel 34 CMR en dat deze noch een beroep kan doen op overmacht noch op een beperking van aansprakelijkheid tot 8,33 SDR per kilo. Dat oordeel wordt door Veldhuizen in cassatie bestreden. Beurskens verschijnt – niet ongebruikelijk – niet in deze instantie. De Hoge Raad constateert op de eerste plaats dat hij de bepalingen van de CMR (meer in het bijzonder het begrip ‘opvolgend vervoer’) moet uitleggen. Het gaat hierbij om – de CMR is tenslotte een verdrag – eenvormig privaatrecht. Vragen van uitleg dienen dan te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikel 31 en 32 van het ‘Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969’. Op grond van artikel 31 lid 1 daarvan dienen de bepalingen van de CMR te worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van deze bepalingen met inachtneming van de context en in het licht van voorwerp en doel van de CMR. Daarnaast dient de heersende opvatting in de jurisprudentie en de literatuur in de CMR verdragslanden in ogenschouw te worden genomen, alsook waar mogelijk de ‘travaux préparatoires’ (die laatsten ontbreken echter bij de CMR). Aldus de Hoge Raad dwingt noch de tekst van artikel 34 CMR, noch die van de overige bepalingen van hoofdstuk VI CMR houdende ‘Bepalingen nopens vervoer verricht door opvolgende vervoerders’ (artikel 35-40 CMR), ertoe artikel 34 CMR aldus uit te leggen dat geen sprake kan zijn van opvolgend vervoer indien de hoofdvervoerder en mogelijke andere vervoerders uitsluitend ‘papieren’ vervoerder zijn, dat wil zeggen: zelf geen enkel deel van het vervoer feitelijk uitvoeren, maar het vervoer geheel uitbesteden. Voorwerp en doel van de opvolgend vervoer regeling in de CMR is versterking van de verhaalsmogelijkheden van de ladingbelanghebbende en de verhaalzoekende vervoerder. Dat aldus wederom de Hoge Raad is grond om artikel 34 CMR zo uit te leggen dat deze bepaling ook ziet op het geval dat de hoofdvervoerder en mogelijke andere vervoerders uitsluitend ‘papieren’ vervoerder zijn. Er wordt in het geval van ‘papieren vervoer’ per saldo geen onderscheid meer gemaakt tussen ondervervoer en opvolgend vervoer mits maar aan de overige vereisten van artikel 34 is voldaan.

Een dergelijke ruime uitleg van artikel 34 CMR doet volgens de Hoge Raad de regeling van de artikelen 36-39 CMR beter beantwoorden aan de beoogde versterking van de positie van de ladingbelanghebbende en de verhaalzoekende vervoerder. Ten slotte is volgens de Hoge Raad van belang dat deze ruime uitleg van artikel 34 CMR strookt met de heersende opvatting in de rechtspraak en literatuur van de verdragslanden. De Hoge Raad constateert dat het Hof is uitgegaan van een juiste – ruime – rechtsopvatting met betrekking tot artikel 34 CMR en laat het oordeel dan ook in stand. Veldhuizen is dus opvolgend vervoerder. Dan met betrekking tot het onderling verhaal tussen opvolgend vervoerders; gezien de bewoordingen van artikel 39 lid 1 CMR — wederom uitgelegd overeenkomstig hun gewone betekenis met inachtneming van de context ingevolge artikel 31 lid 1 Verdrag van Wenen — kan de vervoerder op wie op de voet van artikel 37 (en 38, maar dat artikel – dat vooral op de situatie van insolventie ziet – is hier niet relevant) CMR verhaal wordt uitgeoefend, niet — voor het eerst of opnieuw — een verweer voeren dat ziet op de verschuldigdheid of de hoogte van de aan de derde (de afzender/ladingbelanghebbende) betaalde schadevergoeding. Artikel 39 lid 1 CMR sluit dit verweer uit als ‘de schadevergoeding is vastgesteld’ bij rechterlijke uitspraak. Deze uitsluiting van materieel verweer veronderstelt dat in die rechterlijke uitspraak (in de procedure tussen de verhaalzoekende vervoerder en de derde) is beslist dat eerstgenoemde aansprakelijk is, en is beoordeeld of toepassing moet worden gegeven aan de regeling van de beperkte aansprakelijkheid van artikel 23 CMR, dan wel aan de regeling voor onbeperkte aansprakelijkheid op de voet van artikel 29 CMR, en tot welke schadevergoeding de ene dan wel de andere vorm van aansprakelijkheid leidt. Voor de uitsluiting van dat materieel verweer is ingevolge artikel 39 lid 1 CMR slechts plaats indien de vervoerder op wie op de voet van de artikelen 37 en 38 CMR verhaal wordt uitgeoefend, behoorlijk van het rechtsgeding tussen de verhaalzoekende vervoerder en de derde in kennis is gesteld en gelegenheid heeft gehad om daarin zich te voegen of tussen te komen. Artikel 39 lid 1 CMR waarborgt dat dit materieel verweer alleen dan in de verhaalsprocedure is uitgesloten indien het in de procedure tussen de verhaalzoekende vervoerder en de derde is gevoerd of kon worden gevoerd (door eerstgenoemde dan wel, na voeging of tussenkomst, door de vervoerder op wie verhaal wordt uitgeoefend).

Artikel 39 lid 1 CMR belet, aldus wederom de Hoge Raad, dus niet dat de vervoerder op wie verhaal wordt uitgeoefend, in de verhaalsprocedure verweren voert die in de procedure tussen de verhaalzoekende vervoerder en de afzender/ladingbelanghebbende niet konden worden gevoerd. Verweren dus die zien op de verhaalsvordering zelf (bijvoorbeeld het verweer dat de vordering is verjaard of niet voor het bevoegde gerecht is ingesteld, of het verweer dat hoofdstuk VI CMR (de ‘opvolgend vervoer‘ regeling) toepassing mist). Volgens de Hoge Raad belet artikel 39 lid 1 CMR evenmin dat de vervoerder op wie verhaal wordt uitgeoefend, in de verhaalsprocedure een beroep doet op een van artikel 37 en artikel 38 CMR afwijkende regeling die op de voet van artikel 40 CMR tussen hem en de verhaalzoekende vervoerder is overeengekomen (de onderlinge verhaalsregeling van artikel 37 en 38 CMR heeft niet het dwingende karakter van het ‘gewone’ aansprakelijkheidsregime; de vervoerders kunnen onderling een afwijkende regeling afspreken). Ook komt de Hoge Raad tot de slotsom dat voor toepasselijkheid van de verhaalsregeling niet vereist is dat ook de verhaalzoekende vervoerder als opvolgend vervoerder in de zin van artikel 34 CMR kwalificeert. De Hoge Raad besluit met de opmerking dat niet kan worden gesproken van een heersende opvatting in de rechtspraak en literatuur van de verdragslanden die zich ertegen verzet om artikel 39 lid 1 CMR in de hiervoor bedoelde zin uit te leggen. Het vorenstaande brengt de Hoge Raad tot het oordeel dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat uit artikel 39 lid 1 CMR volgt dat Veldhuizen in de onderhavige verhaalsprocedure is gebonden aan de uitspraak van de Duitse rechter, zowel wat betreft de grondslag van de aansprakelijkheid als wat betreft de hoogte van de schadevergoeding, en dat Veldhuizen in deze verhaalsprocedure niet alsnog de discussie over de omvang van de aansprakelijkheid op de voet van de artikel 23 en 29 CMR kan openen.

Commentaar

Het CMR aansprakelijkheidsrecht wordt gekenmerkt door particularisme. Rechters in de diverse CMR jurisdicties leggen cruciale leerstukken respectievelijk sleutelbepalingen in de CMR heel verschillend uit. Het meest in het oog springende voorbeeld in dat verband is de zienswijze op de artikelen 23 en 29 CMR, d.w.z. op de vraag naar beperkte dan wel onbeperkte aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van beschadiging of verlies van de vervoerde goederen. Eén van de rode draden in de keur aan rechtspraak over de vraag naar (al dan niet) doorbreking van de CMR aansprakelijkheidslimiet is bijvoorbeeld dat Duitse rechters de vervoerder door de bank genomen minder welwillend tegemoet treden dan Nederlandse. Onbeperkte aansprakelijkheid wordt in Duitsland aangenomen waar dat onder gelijke omstandigheden in Nederland niet het geval zou zijn. Dat verschil in te verwachten uitkomst speelt op de achtergrond ook hier.

De Hoge Raad definieert het begrip ‘opvolgend vervoer‘ en doet dat met een ruime (extensieve zo men wil) uitleg. De gebruikelijke vervoerketen bestaat naast de afzender en de ontvanger veelal uit een enkele feitelijke en meerdere ‘papieren’ vervoerders. Die laatsten rijden zelf geen meter met de goederen, maar ‘pakken’ wel een kleine marge. De goederen raken uiteraard beschadigd of worden gestolen terwijl onder de hoede van de feitelijke vervoerder, want dat is tenslotte de enige die ermee rijdt. De feitelijke vervoerder neemt niet de goederen en de vrachtbrief in ontvangst van een vervoerder hoger in de keten, maar rechtstreeks van de afzender. Voor de Hoge Raad is dat geen bezwaar om die feitelijke vervoerder toch als ‘opvolgend vervoerder’ aan te merken. De tekst van artikel 34 CMR vormt geen beletsel voor die kwalificatie zegt de Hoge Raad. Objectief gezien kan daar op basis van de tekst van dat artikel goed anders tegen aan worden gekeken. Zoals het middel dan ook deed. De ruime interpretatie door de Hoge Raad is met een hoger doel voor ogen, te weten de bescherming van de ladingbelanghebbende en de verhaalzoekende vervoerder. Aldus creëert de Hoge Raad een meer ‘level playing field’. De – in dit geval – onbeperkt aansprakelijk gehouden hoofdvervoerder, die daarvoor dus niet ook zelf hoeft te kwalificeren als ‘opvolgend vervoerder’, kan de aansprakelijkheid één op één doorschuiven naar de feitelijke, ‘opvolgend vervoerder’. Dit geldt ook in het geval van ‘papieren’ tussenschakels tussen de verhaalzoekende hoofdvervoerder en de feitelijke vervoerder. Daar kan door de verhaalzoekende hoofdvervoerder gewoon overheen gestapt worden. Mits de feitelijke ‘opvolgende vervoerder’ maar behoorlijk van de eerdere procedure met de afzender/ladingbelanghebbende op de hoogte is gebracht en de gelegenheid heeft gehad daarin tussen te komen dan wel zich daarin te voegen, heeft de feitelijke ‘opvolgend vervoerder’ geen materieel verweermiddel te zijner beschikking. Het is de verhaalzoekende hoofdvervoerder dan ook aan te bevelen de, in dit specifieke geval, Duitse ‘Klage’ aan de feitelijke ’opvolgende vervoerder’ te betekenen en – in het exploot van betekening – te wijzen op de consequenties van artikel 39 lid 1 CMR. Dat is zeker ook verstandig in het veel voorkomende geval van een daarop vooruitlopende door de feitelijk ‘opvolgende vervoerder’ geëntameerde verklaring voor recht procedure met als inzet dat hij niet dan wel slechts beperkt aansprakelijk is. Tot slot; de Hoge Raad zegt dat zijn ruime uitleg van het begrip ‘opvolgend vervoer’ in de zin van artikel 34 CMR strookt met de heersende opvatting in de rechtspraak en de literatuur van de CMR verdragslanden. Met betrekking tot zijn antwoord op de vraag naar de uitleg van artikel 39 CMR, d.w.z. het onderlinge verhaal, is de Hoge Raad echter veel gereserveerder. Hij overweegt dat ‘niet kan worden gesproken van een heersende opvatting in de rechtspraak en literatuur van de verdragslanden die zich ertegen verzet om artikel 39 lid 1 CMR uit te leggen zoals hij doet. De Hoge Raad neemt – en dat is natuurlijk prima – zelfstandig stelling met het oog op de bescherming van de belangen van ladingbelanghebbenden en verhaalzoekende vervoerders. Het gevaar van afwijkende uitspraken in de internationale arena, mitsdien van particularisme, blijft niettemin!

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.