De toekomst van civiele cassatie, hoe staat het ervoor?

Op 1 juli 2012 werd de civiele cassatiebalie een feit. Dit betekende onder meer dat ervaren cassatieadvocaten, zoals ik, een proeve van bekwaamheid moesten afleggen om zich advocaat bij de Hoge Raad te kunnen blijven noemen. Tegelijkertijd is de cassatiebalie opengesteld voor niet-Haagse advocaten, die na het behalen van een examen voorwaardelijk tot de cassatiebalie worden toegelaten en na het succesvol afleggen van de proeve van bekwaamheid hun voorwaardelijke toelating kunnen omzetten in een definitieve. Na drie jaar evalueerde de Nederlandse Orde van Advocaten de cassatiebalie en in dat kader werd ik, samen met andere cassatieadvocaten en een raadsheer in de Hoge Raad, geïnterviewd voor het tijdschrift Mr. De conclusie: er zijn knelpunten, maar de cassatiebalie is op de goede weg. Het artikel verscheen in Mr. jaargang 12. Lees hier het origineel (blz. 32). 


Het Prutswerk voorbij? 

De civiele cassatiebalie is goed op weg. Vindt tenminste de Nederlandse Orde van Advocaten in een rapport waarin deze nieuwe balie werd onderzocht. Maar er zijn ook knelpunten. Zijn er niet te veel civiele cassatieadvocaten? En krijgen ze wel voldoende betaald?

Door Michel Knapen. 

Gepruts. Dat is het woord dat Marc Ynzonides, cassatieadvocaat bij de Brauw Blackstone Westbroek en voorzitter van de Vereniging van Civiele Cassatieadvocaten (VCCA) een paar keer gebruikt. Als hij tenminste over het verleden praat. ‘Iedereen’ stelde maar cassatieschrifturen op, zelfs cliënten deden het, die via Haagse advocaten bij de Hoge Raad werden ingediend. En daar zat véél prutswerk bij. Vond ook de Hoge Raad, waar de oudpapierbak al snel overliep met zinloze en kansloze cassatieverzoeken. Het moest anders. Iedere advocaat – en niet alleen die uit het Haagse arrondissement – mocht voortaan cassatieadvocaat worden, mits deze maar een examen en een proeve van bekwaamheid aflegde, voldoende ‘vlieguren’ haalde en de nodige opleidingspunten bij elkaar sprokkelde. Op 1 juli 2012 was de civiele cassatiebalie een feit, en nu is deze door de Orde geëvalueerd. Belangrijkste conclusie: de balie heeft de kwaliteit van de cassatieschrifturen bevorderd. “Mee eens”, zegt Tanja Tanja-van den Broek, raadsheer in de Hoge Raad. “De stukken zijn inhoudelijk van een hogere kwaliteit. Er strandt minder, op grond van artikel 80a Wet RO, bij de voordeur. En weigering bij de poort geldt wel als diskwalificatie.” In 2014 haalde iets minder dan tien procent van de cassatieverzoeken de poort van de Hoge Raad niet eens. Volgens Tanja-van den Broek is er een beperkt aantal advocaten dat regelmatig een 80a aan de broek krijgt. Nu de overgangsperiode op 1 juli is geëindigd en ook de Haagse advocaten uit het oude regime een proeve van bekwaamheid moeten afleggen om een definitieve inschrijving te krijgen zal dat percentage nog wel verder zakken. Toch zegt dat niet alles, zegt Caspar Janssens (Kneppelhout & Korthals Advocaten). Die bijna tien procent geeft een geflatteerd beeld. “Veel cassatieadvocaten maken hierover afspraken. Als de advocaat-generaal concludeert tot 80a, dan trekken ze hun cassatieschriftuur in. Ze willen dat niet op hun naam hebben staan.” Want te veel 80a’s is niet goed voor de reputatie. Dat wil overigens niet zeggen dat de negentig procent van de cassatieschrifturen die de poort passeert helemaal top is. Tanja-van den Broek: “Veel stukken zijn aan de lange kant. Mogelijk zijn advocaten bang om iets te missen of ze doen het omdat cliënt een uitgebreid stuk verlangt. Maar bij lange stukken raakt de kern eerder ondergesneeuwd.”

Geen groeimarkt

Een punt van zorg dat breed wordt gedragen is de afname van het aantal civiele cassatiezaken. Zijn er te weinig zaken en te veel cassatieadvocaten, dan zal niet iedereen meer aan de vliegureneisen kunnen voldoen: twaalf zaken in drie jaar, waarvan er zes moeten leiden tot een beoordeling door de Hoge Raad. Op dat punt heeft Janssens het NOvA-rapport met “enige verbazing” gelezen. “Het hinkt op twee gedachten. Er is sprake van een vrije markt – iedereen moet cassatieadvocaat kunnen worden – en er zijn kwaliteitseisen. Ik ben vóór kwaliteitseisen, maar dan moet je ons ook niet bij de poort al met 80a tegenhouden. Dat is polderen, het is nu tijd om een keuze te maken. Cassatieadvocaat is een echt ambacht. Ik zou graag training on the job zien, waarbij een soort buitenpatroon jou het vak leert. Training on the job wordt door het rapport niet uitgesloten, maar er wordt ook niet voor gekozen.” Ook de VCCA ziet veel in dat model. Ynzonides: “Er zijn ervaren cassatieadvocaten die nieuwe toetreders willen begeleiden, en wij willen gaan zorgen voor de match tussen de cassatieadvocaat in spe die werkt op een kantoor zonder cassatieafdeling en een externe mentor die als klankbord wil optreden.” Maar niet iedere ervaren cassatieadvocaat staat te trappelen om de jonkies te begeleiden. “Je kunt dit vak alleen in de praktijk leren”, reageert cassatieadvocaat Sjef van Swaaij. “Maar weinigen, ik ook niet, hebben zin om de eigen concurrenten op te leiden. Het is immers geen groeimarkt.” Juist omdat die praktijkervaring zo belangrijk is, wijst Van Swaaij op een “onderbelichte weeffout” in het cassatiesysteem. “Als je alleen de theorieboekjes leest, en dus eigenlijk

''Als je alleen de theorieboekjes leest, kun je al voorwaardelijk worden toegelaten tot de civiele cassatiebalie''

van toeten noch blazen weet, kun je al voorwaardelijk worden toegelaten tot de civiele cassatiebalie. Vergelijk dat eens met autorijden: stel dat je na je theorie-examen al direct een auto mag besturen, waarbij na drie jaar anderen bekijken of je écht kunt rijden. Zo niet, dan is het kwaad al geschied. Dat geldt ook voor de cassatiebalie: in retrospectief had je nooit cliënten mogen bijstaan. Ook al ken je de regels, dat wil nog niet zeggen dat je een cassatie tot een goed einde kunt brengen.” Nu het afnemend aantal cassatiezaken een krimpmarkt veroorzaakt, komt de vraag op of er niet te veel cassatieadvocaten zijn. Van Swaaij weet het al: “Er zijn genoeg advocaten bij de Hoge Raad. België en Duitsland kennen veel minder cassatieadvocaten.” Maar de Orde wil geen closed shop, ook jonge advocaten moeten kunnen toetreden. Raadsheer Tanja-van den Broek: “Het aantal cassatieadvocaten hoeft zeker niet omhoog, maar een closed shop vind ik niet wenselijk. Goede en gemotiveerde advocaten moeten kunnen blijven toetreden. Er is immers ook uitstroom van mensen die hun voorlopige bevoegdheid niet omzetten in definitieve bevoegdheid.” En als er te weinig zaken zijn, dan zullen de advocaten met te weinig vlieguren afvloeien. De vliegureneis naar beneden bijstellen als er te weinig te vliegen is, vindt niemand een goed idee. “Wel zie je dat er in een deel van de markt scherp op prijs wordt geconcurreerd”, weet Ynzonides. “Het is immers een markt van vraag en aanbod.”

Toevoegingen

Op lagere tarieven zit eigenlijk geen enkele cassatieadvocaat te wachten, zeker nu – en dat is de conclusie van de Orde – de vergoedingen van de Raad voor de Rechtsbijstand niet in verhouding staan tot de werkzaamheden. “Bij toevoegingszaken leg je er flink geld op toe”, is de ervaring van Van Swaaij. Toevoegingszaken zijn ook een zorg van de Hoge Raad, zegt Tanja-van den Broek. “Met name bij BOPZ-zaken en in het familierecht. Het is niet goed wanneer deze zaken, puur uit financiële overwegingen, niet meer bij de Hoge Raad komen.” Janssens heeft bij zijn kantoor – dat verder geen toevoegingen doet – de afspraak kunnen maken wel met gefinancierde rechtsbijstand cassatiezaken te blijven doen. “Al is het maar om je vlieguren te halen. Misschien zijn toevoegingsadvocaten geneigd minder uren in een zaak te steken vanwege die slechte vergoeding, maar aan de andere kant: je wilt bij de Hoge Raad ook niet afgaan. Je gaat dus voor kwaliteit, precies wat de civiele cassatiebalie beoogde. Bovendien vind ik het de dure plicht van de cassatiebalie ook voor toevoegingszaken de toegang tot de Hoge Raad open te houden.” Vergeet niet, zegt Ynzonides, dat deze financiële problemen – zoals hoge griffierechten en matige rechtsbijstandsvergoedingen – ook voorkomen in de feitelijke rechtspraak. “De Orde zou zich hard moeten maken om de vergoedingen omhoog te krijgen. Maar er zijn ook kantoren die gratis cassatiezaken doen. Of zij nu 800 euro krijgen uit de toevoegingspot of helemaal niets, dat maakt voor de grote kantoren weinig uit. Ze kijken wel heel kritisch of ze een aangeboden zaak wel cassatiewaardig vinden. Als zij het afwijzen is dat geen onwil of omdat ze er te weinig aan verdienen, maar omdat ze geen brood zien in een cassatietraject. Dat heeft de civiele cassatiebalie geleerd: kwaliteit moet voorop staan.”

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.