Derdenwerking: oprekking van de Vleesmeester/Alog-regel

In beginsel werken verplichtingen, die door een contract tussen partijen in het leven worden geroepen, alleen tussen die betrokken partijen. Dit is een uitvloeisel van het beginsel van contractsvrijheid. Sinds het Vleesmeesters/Alog-arrest weten we dat een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een contractuele verplichting (wanprestatie), ook een schadevergoedingsverplichting jegens een derde kan opleveren – als de omstandigheden van het geval hiertoe aanleiding geven. Is dit ook zo wanneer er geen sprake is van wanprestatie, maar de overeenkomst wordt ontbonden door een van de partijen, waardoor een derde schade lijdt? Of als een advocaat een beroepsfout maakt in de advisering van een CV, waardoor een commanditaire vennoot schade in zijn privévermogen lijdt? Over deze vragen heeft de Hoge Raad zich op 14 juli 2017 respectievelijk 22 september 2017 uitgesproken.

Juridisch kader

Soms kan wanprestatie onder een contract tussen twee partijen tot een schadevergoedingsplicht jegens derden leiden. Dat volgt uit het Vleesmeesters/Alog-arrest van 24 september 2004:

Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen.

Voor een gegronde vordering op basis van onrechtmatige daad van een derde, dient het belang van de derde dus nauw betrokken te zijn bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst. Vervolgens benoemt de Hoge Raad negen omstandigheden, die een relevante rol kunnen spelen bij de vraag of de wanprestatie van een contractspartij een gegronde vordering op basis van onrechtmatige daad jegens een derde oplevert. In een later arrest van de Hoge Raad ligt de vraag ter beoordeling voor of wanprestatie van een onderaannemer jegens de hoofdaannemer een onrechtmatige daad oplevert jegens de opdrachtgever (de contractspartij van de hoofdaannemer). In dit arrest herhaalt de Hoge Raad eerst de belangrijkste overwegingen van het Vleesmeesters/Alog-arrest, en oordeelt vervolgens dat “een wanprestatie van de onderaannemer jegens de hoofdaannemer op zichzelf nog geen onrechtmatige daad jegens de opdrachtgever [oplevert]”. Er zal steeds gekeken moeten worden naar de omstandigheden van het geval, aldus de Hoge Raad.

Deze twee arresten laten zien dat een derde onder bepaalde omstandigheden een beroep toekomt op schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, maar alleen wanneer de aangesproken contractspartij toerekenbaar tekortschiet in de uitvoering van haar contractverplichtingen.

Een derde kan echter ook getroffen worden door de ontbinding van een contractspartij, omdat hij afhankelijk is van de uitvoering van dat contract, zónder dat van wanprestatie sprake is. En ook een commanditaire vennoot kan in zijn belang geschaad worden, indien een advocaat tekortschiet in de advisering van de CV waar de vennoot betrokken bij is. De vraag is dan of de Vleesmeesters/Alog-regel in deze gevallen toegepast kan worden, ondanks dat er geen wanprestatie, maar ontbinding, respectievelijk geen wanprestatie jegens de commanditaire vennoten is. Op deze vraag heeft de Hoge Raad in de arresten van 14 juli 2017 en 22 september 2017 geantwoord.

Het Compaen-arrest d.d. 14 juli 2017

DMB en Compaen hebben een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot (toekomstige) appartementsrechten van 70 woningen. De overeenkomst bevatte een ontbindende voorwaarde, dat wanneer op 1 februari 2008 niet minimaal 20 appartementsrechten door Compaen aan derden zouden zijn verkocht, Compaen de overeenkomst kan ontbinden.

Om ervoor te zorgen dat Compaen de koop niet kan ontbinden, sluit DMB vervolgens een overeenkomst met een derde partij A (eiseres in cassatie), die A ertoe verplicht om op eerste afroep van DMB maximaal 20 appartementsrechten van Compaen te kopen. Voor ieder appartementsrecht dat A uiteindelijk niet hoeft te kopen is DMB verplicht om haar € 15.000,- te betalen. Voorts wordt bepaald dat de overeenkomst wordt ontbonden, als de koopovereenkomst tussen DMB en Compaen wordt ontbonden.

Het bouwproject wordt, vanwege de economische crisis, in 2009 stilgelegd. Maar Compaen roept de ontbindende voorwaarde niet in, en DMB verzoekt A niet om appartementsrechten van Compaen te kopen. In plaats daarvan wordt door DMB en Compaen en een derde partij B op 3 juli 2009 een intentieverklaring getekend dat de koopovereenkomst tussen DMB en Compaen wordt beëindigd en dat een vergelijkbare overeenkomst tussen DMB, Compaen en B wordt gesloten, zodat het bouwproject een doorstart krijgt. Verder komen die drie partijen overeen dat de overeenkomst tussen DMB en A ook wordt ontbonden. Er was immers afgesproken dat ontbinding van de overeenkomst tussen DMB en Compaen zou leiden tot ontbinding van de overeenkomst tussen DMB en A. Op 4 mei 2010 is DMB, op verzoek van Compaen, failliet verklaard en A staat met lege handen.

A stelt dat Compaen daarmee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat zij als gevolg hiervan schade heeft geleden. De schade bestaat onder meer uit het mislopen van € 15.000,- per niet afgenomen appartementsrecht. Het hof verwerpt dit beroep en oordeelt – geparafraseerd – dat strikte uitleg van de Vleesmeesters/Alog-regel meebrengt dat ontbinding van een overeenkomst geen schadevergoedingsverplichting jegens A in het leven roept, en dat A alleen ingeval van wanprestatie recht heeft op schadevergoeding.

De Hoge Raad ziet dit anders. De aangesproken partij dient haar verklaringen en gedragingen ter zake van de overeenkomst waarbij zij partij is, mede te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde. Niet vereist is dat de aangesproken partij te kort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is en waarmee de belangen van die derde verbonden zijn. De klacht van eiseres slaagt. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch en verwijst de zaak ter verdere behandeling naar het hof Arnhem-Leeuwarden.

Het Stichting Participanten Warmond/Lexence-arrest d.d. 22 september 2017

Dit geval gaat om een belegging in een onroerendgoedproject in Warmond, op initiatief van twee BV’s (EAI BV en EAIG BV). Voor deze belegging is een CV opgericht, met één beherend vennoot en 49 commanditaire vennoten die als participanten in het project deelnamen. Het bouwplan, zoals dat was opgenomen in het prospectus, bevatte echter een fout. Het bleek in strijd te zijn met het bestemmingsplan, waardoor de bouwvergunning door de gemeente Warmond werd herroepen. De CV schakelt Lexence in, om haar te adviseren over deze kwestie. Lexence heeft de CV geadviseerd om niet de aandacht te vestigen op de fout in de prospectus, maar zich in te spannen om de waarde van de grond en de profijtelijkheid van de investering te herstellen. Dit advies diende het belang van de CV. Echter, uiteindelijk gaan EAI en EAGI failliet en doordat Lexence heeft nagelaten deze BV’s aansprakelijk te stellen voor de fout in de prospectus, zijn de commanditaire vennoten hun gehele inleg kwijt geraakt. De Stichting Participanten Warmond, die optrad voor de belangen van een aantal commanditaire vennoten, stelt dat Lexence onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij de schade die hieruit voortvloeit ad ruim € 7.000.000,- dient te vergoeden.

De rechtbank en het hof wijzen deze vordering af, omdat Lexence jegens de CV – de contractuele wederpartij – niet is tekortgeschoten. De Hoge Raad ziet dit anders en oordeelt dat een advocaat bij de advisering van een CV zich dient te richten naar het (gezamenlijke) belang van de vennoten. Wanneer, zoals in dit geval, het belang van de CV en dat van de commanditaire vennoten niet overeenstemmen, dient de advocaat hier op te wijzen en hieromtrent te adviseren. Indien hij dit nalaat levert dat in dit geval een beroepsfout op, maar kan het – onder omstandigheden – meebrengen dat hij de zaak neer moet leggen. De vraag is voorts of die beroepsfout ook een schadevergoedingsverplichting jegens de commanditaire vennoten oplevert. Hierover oordeelt de Hoge Raad – onder verwijzing naar het Vleesmeesters/Alog-arrest:

Voorts heeft het hof uit het oog verloren dat de participanten commanditaire vennoten van de CV waren en derhalve niet kunnen worden aangemerkt als (willekeurige) derden ten opzichte van de CV. Omdat de belangen van de participanten als commanditaire vennoten nauw waren betrokken bij (het belang van) de CV (zie hiervoor in 3.5.2), diende Lexence als advocaat van de CV mede op hun belangen acht te slaan en levert een tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst jegens de CV in beginsel tevens een onrechtmatige daad op jegens de participanten (…).

Conclusie

De twee behandelde (recente) arresten laten zien dat men – ook in contractuele verhouding – acht dient te slaan op de belangen van derden. Met het Compaen-arrest is de regel van het Vleesmeesters/Alog-arrest enigszins opgerekt. Niet alleen wanprestatie onder de overeenkomst kan een schadevergoedingsverplichting jegens een derde in het leven roepen, ook een ontbinding van die overeenkomst zonder dat sprake is van wanprestatie, kan onrechtmatig de belangen van derden schaden en tot een schadevergoedingsplicht leiden.

Het Stichting Participanten Warmond/Lexence-arrest laat zien dat de zorgplicht van advocaten bij de advisering van een CV zich ook uitstrekt tot de belangen van de commanditaire vennoten van die CV. Mogelijk is deze uitspraak ook toepasbaar bij de advisering van een BV, in die zin dat de advocaat in bepaalde gevallen ook de belangen van de aandeelhouders van die BV in het oog moet houden.

Vincent Hofman – Advocaat Handel, Industrie & Logistiek

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.