Een vervangende schadevergoeding? Weet u het zeker?

In een arrest van 21 april 2017 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over een gevorderde vervangende schadevergoeding. Uit het arrest volgt dat de omstandigheid dat slechts sprake is van een geringe tekortkoming kan meebrengen dat omzetting van de verbintenis die niet is nagekomen in een vervangende schadevergoeding niet gerechtvaardigd is dan wel dat volledige vergoeding van de herstelkosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 

Feiten

In de zaak die aanleiding vormde voor dit arrest lagen de feiten als volgt. Een huiseigenaar heeft een overeenkomst gesloten met een aannemer uit hoofde waarvan de aannemer tegen een vaste aanneemsom (verbouwings)werkzaamheden zou verrichten aan de woning van de huiseigenaar. Op de overeenkomst zijn de Uniforme Administratieve Voorwaarden (“UAV”) van toepassing. Aanvankelijk was 16 juli 2006 de opleverdatum. Uiteindelijk heeft een in drieën gesplitste oplevering plaatsgevonden. Van de opleveringen en daaraan voorafgaande vooropleveringen zijn processen-verbaal opgesteld.

Tussen partijen is onder meer discussie geweest over een knik in de keukenvloer en een enigszins aflopend niveau van die vloer. De huiseigenaar heeft de aannemer er bij brief van 28 december 2006 op gewezen dat de STABU-standaard 2001 op het werk van toepassing zou zijn (STABU staat voor Standaardbestek Utiliteitsbouw) en dat partijen voor wat betreft de aanleg van de hardstenen keukenvloer geen  aanvullende of afwijkende afspraken zouden hebben gemaakt ten opzichte van de STABU-standaard 2001. Volgens de STABU-standaard 2001 zou het maximale hoogteverschil in het onderhavige geval 3 mm zijn, terwijl de werkelijke afwijking minimaal het tienvoudige zou zijn.Volgens de huiseigenaar heeft de aannemer bij de oplevering op 26 september 2006 ook erkend dat de vloer niet vlak zou zijn.

De aanneemsom is in termijnen aan de huiseigenaar gefactureerd. Een bedrag van €45.602,41 is onbetaald gebleven. De aannemer heeft veroordeling van de huiseigenaar tot betaling van €45.602,41 gevorderd, vermeerderd met rente en kosten. De huiseigenaar heeft aanvankelijk onder meer veroordeling van de aannemer tot het verrichten van nog niet verrichte werkzaamheden gevorderd, dan wel herstel van ondeugdelijk verrichte werkzaamheden. Nadat deskundigenberichten waren uitgebracht heeft de huiseigenaar zijn eis in zoverre gewijzigd dat hij in plaats van herstel van ondeugdelijk verrichte werkzaamheden vervangende schadevergoeding heeft gevorderd.

De schadepost ter zake van de keukenvloer is door de huiseigenaar onderbouwd met een offerte van een ander aannemingsbedrijf waarin de kosten voor verwijdering van de vloertegels, egalisering van de keukenvloer en nieuwe betegeling van de keukenvloer zijn becijferd op €25.050,33 incl. BTW.

Juridische kader

De wet (art. 6:87 BW) geeft een schadelijdende partij onder omstandigheden de mogelijkheid om een schadevergoeding te vorderen die in de plaats treedt van de prestatie die oorspronkelijk verschuldigd was. Wij spreken dan van een vervangende schadevergoeding. De schadelijdende partij die een vervangende schadevergoeding wenst, moet de schadeveroorzakende partij schriftelijk meedelen dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming van de overeenkomst vordert.

Door de omzetting gaat de oorspronkelijke verbintenis teniet. Dit brengt mee dat de schadeveroorzakende partij niet meer kan nakomen en de schadelijdende partij geen nakoming of ontbinding meer kan vorderen. In geval van een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst staat het de schadelijdende partij niet altijd vrij om te kiezen voor een aanvullende schadevergoeding in plaats van nakoming. Volgens vaste rechtspraak is de schadelijdende partij daarbij gebonden aan de eisen van redelijkheid en billijkheid en moet tot op zekere hoogte rekening worden gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de schadeveroorzakende partij.

In de onderhavige zaak heeft het hof Amsterdam de aannemer veroordeeld tot betaling aan de huiseigenaar van een schadevergoeding van €114.403,12. Dit bedrag omvat €25.050,33 ter zake van de keukenvloer. In cassatie klaagt de aannemer onder meer dat het hof ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd is voorbij gegaan aan zijn stelling dat de vervangende schadevergoeding zoals door de huiseigenaar gevorderd, niet of niet geheel toewijsbaar is. De aannemer heeft in dat kader kort gezegd gesteld dat de knik in de keukenvloer en het aflopende niveau met het blote oog niet te constateren zijn en alleen met gedetailleerde metingen kunnen worden vastgesteld, dat de knik en het aflopende niveau geen hinder geven en niet waarneembaar zijn bij het lopen, dat het gaat om een uitsluitend esthetische kwestie en dat de aard en de omvang van de tekortkoming in geen verhouding staan tot de aard en de omvang van de herstelwerkzaamheden, omdat daarvoor de gehele vloer opengebroken en opnieuw gelegd moet worden.

De Hoge Raad acht deze klachten van de aannemer gegrond. In het licht van de hiervoor weergegeven stellingen van de aannemer – waarbij de aannemer met name een beroep heeft gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid – is het oordeel van het hof dat de gevorderde schadevergoeding ter zake van de keukenvloer (volledig) toewijsbaar is, onvoldoende gemotiveerd, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad overweegt dat het hof had moeten beoordelen of sprake is van een situatie dat de tekortkoming, gezien de (gestelde) ondergeschikte betekenis daarvan, omzetting van de verbintenis van de aannemer in een vervangende schadevergoeding niet rechtvaardigt, dan wel of volledige vergoeding van de herstelkosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Aanbevelingen voor de praktijk

Het arrest van de Hoge Raad brengt nog maar eens in herinnering dat het een schadelijdende partij niet altijd vrijstaat de verbintenis die niet is nagekomen om te zetten in een verbintenis tot betaling van een vervangende schadevergoeding. De schadelijdende partij is nou eenmaal gebonden aan de eisen van redelijkheid en billijkheid en moet tot op zekere hoogte rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van de schuldenaar. Bezint eer ge begint, want de omzetting van een verbintenis is in beginsel definitief. Door de omzetting is de schuldenaar bevrijd van zijn oorspronkelijke prestatieverbintenis, zodat nakoming of ontbinding daarvan na omzetting niet meer denkbaar is. Slechts de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een uitzondering op dit beginsel op zijn plaats is.

Jocelynn Tetelepta, aansprakelijkheid & commerciële contracten

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.