Einde populariteit payrollconstructie in zicht?

Einde populariteit payrollconstructie in zicht?

Inleiding
In Nederland wordt door werkgevers veelvuldig gebruik gemaakt van een payrollconstructie. De afgelopen jaren heeft het gebruik van deze constructie een enorme toevlucht genomen. Hieronder zal nader worden ingegaan op het fenomeen payrolling en de interessante ontwikkeling op dit gebied in de rechtspraak. 

Een payrollconstructie
In de wet staat geen omschrijving van het begrip ‘payrolling’. In de praktijk werkt een payrollconstructie als volgt. Een bedrijf selecteert een werknemer voor een functie. Nadat de werknemer is aangenomen door het bedrijf sluit de werknemer een arbeidsovereenkomst met een payrollbedrijf. Hierdoor wordt het payrollbedrijf de werkgever en het bedrijf de ‘inlener’. Na het sluiten van deze overeenkomst gaat de werknemer onder gezag en leiding van de inlener aan het werk.

Omzeilen van arbeidsrechtelijke bescherming
Het gevolg van de payrollconstructie is dat de personele- en administratieve lasten die een werkgever normaal gesproken draagt, worden overgedragen aan het payrollbedrijf. Daarnaast heeft een payrollconstructie tot gevolg dat het de werknemer ontbreekt aan de arbeidsrechtelijke bescherming. De inlener kan namelijk gemakkelijk overgaan tot ontslag van de werknemer door de inleenopdracht met het payrollbedrijf te beëindigen. De inlener kan bijvoorbeeld stellen dat er geen werkzaamheden meer zijn voor de werknemer en op grond daarvan zal de inleenopdracht met het payrollbedrijf  worden opgezegd. De opzegverboden, zoals het verbod tot opzegging tijdens ziekte, blijven in dit geval buiten toepassing. Door beëindiging van de inleenopdracht kan het payrollbedrijf vervolgens op grond van een bedrijfseconomische reden makkelijk afscheid nemen van de werknemer. Immers, er is geen werk meer voor de werknemer nu de inleenopdracht tot een einde is gekomen. In de literatuur is al geruime tijd kritiek op een dergelijke constructie vanwege het gebrek aan bescherming voor de werknemer. De rechtspraak was tot voor kort niet eenduidig over de vraag waar de werknemer nu in dienst was (bij de inlener of het payrollbedrijf). 

De rechtspraak
Het afgelopen half jaar is er een wat meer eenduidige tendens in de rechtspraak waar te nemen. De rechters lijken als het ware door de payrollconstructie heen te prikken. Hierdoor wordt het payrollbedrijf niet  meer als de werkgever aangemerkt, maar (ook) de inlener. Een werknemer is immers feitelijk werkzaam bij de inlener en de arbeidsrelatie die de werknemer heeft met een payrollbedrijf bestaat (in de meeste gevallen) alleen uit het op de loonlijst plaatsen van de werknemer. In één geval oordeelde een kantonrechter zelfs dat op geen enkele wijze is gebleken dat de payrollconstructie niet enkel is gekozen om de ontslagbescherming van de werknemer te ontlopen. Wie de ‘echte’ werkgever is bij een payrollconstructie, zal per geval moeten worden beoordeeld. Duidelijk is wel dat de rechtspraak niet zonder meer aanneemt wat ‘op papier staat’, maar naar de feitelijke (gezags)verhouding kijkt.  

Tot slot
Gelet op de bescherming tegen sociaal ongerechtvaardigd ontslag die de werknemer geniet, is het (in de meeste gevallen) terecht dat door de payrollconstructie wordt heengekeken. Als de huidige lijn in de rechtspraak zicht blijft voortzetten, dan zal het gebruik van een payrollconstructie in populariteit dalen. Daarnaast volgt uit het in april 2013 gesloten sociaal akkoord dat de (oneerlijke) arbeidsrechtelijke positie van de payrollwerknemer door de politiek nader onder de loep zal worden genomen. Dit zal zeer waarschijnlijk ook consequenties hebben voor de huidige vorm van payrolling. Het einde van de populariteit van de payrollconstructie in de huidige vorm lijkt dus inderdaad in zicht.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.