Geen compensatie bij vertraagde vlucht door aanvaring met een vogel

Bij vertraging of annulering van vluchten hebben luchtvaartpassagiers meestal recht op compensatie. Indien er echter sprake is van een zogenaamde bijzondere omstandigheid, hoeft de luchtvaartmaatschappij passagiers niet te compenseren. Van een dergelijke bijzondere omstandigheid is niet snel sprake. Een aanvaring met een vogel, zo maakte het Europese Hof van Justitie onlangs duidelijk, is wel een dergelijke bijzondere omstandigheid.

Achtergrond vertraagde vlucht

De luchtvaartpassagiers hebben bij Travel Service een vlucht geboekt van Burgas (Bulgarije) naar Ostrava (Tsjechië). De vlucht maakte deel uit van het volgende vluchtschema: Praag – Burgas – Brno – Burgas – Ostrava. Al tijdens de eerste vlucht van Praag naar Burgas is er een technisch probleem met een terugslagventiel geconstateerd. Het herstel daarvan heeft één uur en vijfenveertig minuten in beslag genomen. Daar hield de pech niet mee op. Het vliegtuig raakte namelijk tijdens de landing van de vlucht van Burgas naar Brno een vogel.

Bij een dergelijke aanvaring dient het vliegtoestel gecontroleerd te worden op schade. Er zijn twee controles uitgevoerd: een door een plaatselijk geautoriseerd bedrijf en een door een technicus van Travel Service zelf. De twee luchtvaartpassagiers hebben door het incident met het terugslagventiel en met de vogel een vertraging van totaal vijf uur en twintig minuten opgelopen.

Bespreking van het arrest in vogelvlucht

De nationale rechter heeft naar aanleiding van deze vertragingszaak diverse vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie heeft op 4 mei 2016 onder meer antwoord gegeven op de vraag of een aanvaring met een vogel aangemerkt dient te worden als bijzondere omstandigheid die de luchtvaartmaatschappij kan bevrijden van haar verplichting tot compensatie in geval van langdurige vertraging van een vlucht.

Het Hof neemt als uitgangspunt dat in geval van annulering van een vlucht of langdurige vertraging passagiers in beginsel aanspraak kunnen maken op compensatie op basis van de Verordening Nr. 261/2004. Deze Verordening bevat regels met betrekking tot onder meer compensatie en bijstand aan luchtreizigers in geval van annulering of langdurige vertraging van vluchten. Het recht op compensatie geldt echter niet onverkort. Is de vertraging een gevolg van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen, dan hoeft de luchtvaartmaatschappij niet te compenseren.

De aanvaring tussen het vliegtuig en de vogel en de eventueel daaruit voortvloeiende schade kan volgens het Hof van Justitie vanwege aard en oorsprong niet worden beschouwd als inherent aan de normale uitoefening van activiteiten van de betrokken luchtvaartmaatschappij. De aanvaring met de vogel is niet een incident dat wezenlijk verbonden is met het systeem voor de werking van het vliegtuig. De aanvaring tussen de vogel en het vliegtuig dient dan ook aangemerkt te worden als bijzondere omstandigheid.

In aanvulling daarop overweegt het Hof voorts, dat het geen verschil maakt of deze aanvaring daadwerkelijk schade heeft toegebracht aan het betrokken vliegtuig. De verordening heeft als doel om een hoog niveau van bescherming van passagiers te waarborgen. Dat brengt met zich dat luchtvaartmaatschappijen er niet toe mogen worden gebracht af te zien van het treffen van de vereiste maatregelen bij een dergelijk incident. Het is met andere woorden niet de bedoeling dat luchtvaartmaatschappijen voorrang geven aan de uitvoering van hun vluchten boven de nagestreefde veiligheid van passagiers.

Bij het voorgaande heeft het Hof van Justitie wel de kanttekening geplaatst dat de annulering of langdurige vertraging van een vlucht niet kan worden gezien als het gevolg van een buitengewone omstandigheid wanneer de annulering of vertraging voortvloeit uit het feit dat een luchtvaartmaatschappij een deskundige van haar keuze inschakelt om de veiligheidsinspecties (nogmaals) uit te voeren nadat een bevoegd deskundige al een inspectie heeft uitgevoerd.

Aanbevelingen voor de praktijk

Het arrest van het Hof van Justitie laat maar weer eens zien dat het laatste nog niet gezegd is over de Europese regelgeving omtrent compensatie bij vertraging of annulering van vluchten. Uitlegvragen worden niet zo maar aan het Hof van Justitie gesteld. Het is aan de nationale rechters dat te doen. In dit geval gebeurde dat tegen de zin van Travel Service niet. Travel Service liet het er niet bij zitten en bewerkstelligde dat het vonnis in eerste aanleg werd vernietigd wegens handelen in strijd met het recht op een eerlijk proces. De nationale rechter was namelijk tevens rechter in laatste aanleg. Om die reden was de rechter gehouden prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie met betrekking tot de uitlegging van de Verordening Nr. 261/2004. De Verordening geeft namelijk onder andere geen duidelijk antwoord op de vraag of de aanvaring tussen een vliegtuig en een vogel moet worden aangemerkt als buitengewone omstandigheid in de zin van die Verordening.

Bij onzekerheid over de uitleg van de Verordening is het dan ook zo gek nog niet om de nationale rechter de suggestie mee te doen het Hof van Justitie te vragen om duidelijkheid te verschaffen. Daartoe hoeft niet eerst tot aan de Hoge Raad (indien die de laatst aangewezen instantie is) geprocedeerd te worden. Ook lagere rechters hebben de (discretionaire) bevoegdheid vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie. Of de lagere rechters daarvan daadwerkelijk gebruik zullen maken is een tweede.

Petra Chao, advocaat Handel, Industrie & Logistiek

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.