Het Diergezondheidsfonds: tegemoetkoming bij ruiming van een bedrijf in geval van een besmettelijke

Inleiding

Het jaar 2020 bleek opeens een jaar waarin we te maken kregen met een nieuwe besmettelijke dierziekte. Marterachtigen, zoals nertsen, bleken (erg) gevoelig te zijn voor het SARS-Cov-2-virus en zelfs besmettingen van dier op mens bleken plaats te vinden. Dat maakte het virus ook nog een (zogeheten) zoönose. Alle reden voor het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit om in te grijpen en besmette nertsenhouderijen te ruimen. De teller staat inmiddels op 70 geruimde bedrijven. Daar zal het ook bij blijven, want per 8 januari 2021 is het in Nederland verboden om nertsen te houden voor de bontproductie. Daarover gaat deze bijdrage overigens niet. Over die wet(swijziging) verschijnt later een bijdrage in het LTB.

In deze bijdrage wordt stilgestaan bij de tegemoetkoming die de nertsenhouders hebben verkregen uit het Diergezondheidsfonds (hierna: DGF) na ruiming van hun bedrijf. Aan de orde komen de wettelijke systematiek rond en de feitelijke werking van het DGF bij de vergoeding van (zogeheten) bestrijdingskosten. Begonnen wordt met een korte beschrijving van de achtergrond en reden van dierziektebestrijding, gevolgd door een kort historisch perspectief van het DGF

Dierziektebestrijding en DGF: nodig waarom?

Dierziektebestrijding wordt van groot belang geacht, omdat uitbraken van besmettelijke dierziekten een grote impact op de getroffen veehouders en de agrarische sector in brede zin, inclusief de aanverwante verwerkende voedselindustrie. In zoverre heeft de uitbraak van een besmettelijke dierziekte consequenties voor de samenleving als geheel en in bredere zin voor de voedselveiligheid in Europa.

Het nastreven van die (algemene) belangen maakt dat de schade die de individuele ondernemer lijdt bij de bestrijding van een besmettelijke dierziekte voor vergoeding in aanmerking komt. Die (haast absolute) wens/noodzaak tot bestrijding maakt dat van een individuele ondernemer meer wordt verlangd dan wat zijn normaal maatschappelijk risico met zich brengt, zodat compensatie aan de orde is. Dit overigens naast het feit dat het DGF ook dient voor de betaling van kosten van preventie tegen besmettelijke dierziekten en algehele monitoring van de veestapels. Kosten die over de sectoren als zodanig moeten worden verdeeld.

Diergezondheidsfonds in historisch perspectief

Het DGF is in 1998 opgericht. Voor de inwerkingtreding van het DGF werden uitgaven die gemaakt werden door de overheid voor de preventie, monitoring en bestrijding van besmettelijke dierziekten verantwoord door het Fonds politionele dierziektebestrijding. Daarbij waren ook afspraken gemaakt met het (inmiddels opgeheven) Landbouwschap over de bijdrage aan de financiering door de veehouderijsectoren. Hiervoor was een bedrag van maximaal 2 miljoen gulden afgesproken beschikbaar vanuit het Landbouwschap voor de bestrijding van dierziekten. Na de grote en kostbare uitbraak van klassieke varkenspest in 1997 besloot de regering echter de overheidsfinanciering voor dierziektebestrijding bij nieuwe uitbraken te beperken en werd het DGF opgericht. De regering besloot dat de veehouderijsectoren de directe kosten moesten mede-financieren en dat publieke financiering alleen zou worden verleend in geval van grootschalige uitbraken. De manier van financiering vanuit de veehouderij binnen deze randvoorwaarde stond open voor discussie. Het resultaat van de besprekingen tussen de overheid en de commerciële veehouderijsectoren (toen nog vertegenwoordigd door de inmiddels opgeheven productschappen) was een convenant voor de financiering van de bestrijding van besmettelijke dierziekten. Dat convenant werd en wordt telkens voor vijf jaar afgesproken. Van veehouders in elk van de sectoren wordt tot een bepaald algemeen plafond een bijdrage voor het fonds geheven. Dergelijke heffingen zijn voor bezwaar en beroep vatbaar en worden (inmiddels, per 2018) in eerste en enige aanleg beslecht door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb).

Tot 2020 was sprake van één plafond voor alle kosten van bestrijding en preventie tezamen. Per 2020 is sprake van twee plafondbedragen: één voor de (vijf)jaarlijkse kosten (preventie en monitoring) en één voor de bestrijdingskosten. Zodra meer geld nodig is dan deze plafonds, komt dat geld uit de reserves van het DGF dan wel uit de algemene middelen van het Rijk. De reserves zijn afgelopen jaar aangesproken voor de bestrijding van de ruimingskosten voor de getroffen nertsenhouderijen. De nertsenhouderij als bedrijfstak draagt namelijk niet bij aan het DGF (artikel 91c Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwwd)).

De keuze voor twee plafonds in het laatste convenant (2020-2024, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2019/07/04/convenant-financiering-bestrijding-besmettelijke-dierziekten-2020-2024) is overgenomen uit een advies van de Wageningen University & Research dat is gevraagd om de werking van het DGF te evalueren (rapport 2019-023, te vinden via www.library.wur.nl). De onderzoekers hebben deze aanbeveling gedaan, omdat dit beter recht doet aan de oorspronkelijke doelstelling van plafondbedragen, namelijk de gevolgen van grote uitbraken voor de veehouderijsectoren beperkt te houden. Het zorgt ook voor een directe prikkel aan de veehouderijsectoren om de kosten van het preventie- en monitoringsdeel laag te houden.

Bij de oprichting van het DGF is besloten om de heffing via de productschappen te laten lopen via de bij hen bestaande heffingenstructuur. Na het opheffen van de productschappen per 1 januari 2015, legt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vanaf 2015 heffingen op bij houders van productiedieren. De reserves van de productschappen in de runder- en varkenssector zorgden er overigens voor dat er tot 2018 geen heffingen bij individuele veehouders hoefden te worden geheven. In de pluimvee-, schapen- en geitensector werden wel vanaf 2015 heffingen aan individuele veehouders opgelegd. Naast deze heffingen wordt het DGF gevoed door bijdragen uit de begroting van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en door de EU ter beschikking gestelde middelen ter bestrijding van besmettelijke dierziekten.

Deze wijze van financiering volgt uit de herziening van het heffingenstelsel Diergezondheidsfonds die op 1 januari 2018 van kracht is geworden (Stb. 2017, 313).


Wettelijk kader: aanwijzing tot besmettelijke dierziekte en werking DGF

Het wettelijk kader voor zowel het DGF als de bestrijdingskosten wordt gevormd door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Het DGF bestaat krachtens artikel 95a Gwwd.

Artikel 15 Gwwd bepaalt dat bij ministeriele regeling besmettelijke dierziekten en zoönosen kunnen worden aangewezen. De ministeriele regeling die daarvoor in het leven is geroepen is de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s (hierna: Regeling preventie, bestrijding en monitoring). Per diersoort (en daarmee per veehouderijtak) worden besmettelijke dierziekten en zoönosen aangewezen.

Een vergoedingsrecht ontstaat op het moment dat een bedrijf maatregelen opgelegd krijgt ter bestrijding van een besmettelijke dierziekte. De (veertien soorten) maatregelen die de minister ten dienste staan, zijn opgesomd in artikel 22 Gwwd. De meest verstrekkende maatregel is het doden van verdachte en zieke dieren (artikel 22 lid 1 sub f Gwwd). Die maatregel en de maatregel die ertoe strekt om (besmette) producten en voorwerpen onschadelijk te maken geven recht op een tegemoetkoming in de geleden schade. Dit volgt uit artikel 86 lid 1 Gwwd. Uit het tweede lid van dat artikel samen met artikel 2 Besluit verlaging tegemoetkoming aangewezen dierziekten volgt dat de veehouderij 100% van de waarde van verdachte dieren vergoed krijgt en slechts 50% van de waarde van zieke dieren.

Uit datzelfde Besluit verlaging tegemoetkoming aangewezen dierziekten volgt ook dat veehouders volledig binnen de lijntjes moeten kleuren, willen zij niet geconfronteerd worden met kortingen op de door hen te verkrijgen tegemoetkoming. Zo levert het handelen in strijd met de bestrijdingsmaatregelen (bijvoorbeeld het toch vervoeren van mogelijk besmette producten) een korting van 100% op (zie artikel 3 van het Besluit). Dat heeft bijzondere jurisprudentie opgeleverd. De uitbraak van het mond- en klauwzeervirus (mkz) volgde in 2001 snel op de klassieke varkenspest (kvp) van 1997. Bij de tegemoetkomingen vanwege mkz werd op de niet-naleving een bepaalde regel (het hebben van oormerken en tijdig melden van mutaties) minder hard gekort dan ten tijde van de kvp. In een aparte ministeriële regeling is dat uiteindelijk gecorrigeerd voor de varkenshouders. In zijn uitspraak van 18 september 2008 behandelt het CBb een van de zaken naar aanleiding van die nadere ministeriële regeling (ECLI:NL:CBB:2008:BF3258).

Artikel 88 Gwd geeft vervolgens de regeling omtrent de vaststelling van de waarde van de te doden dieren en te vernietigen producten. Van rijkswege wordt een beëdigd taxateur ingeschakeld om een voorafgaand aan de ruiming een taxatie op te stellen met daarin de aan de veehouder toekomende tegemoetkoming. Zowel de minister als de veehouder kunnen zich, als de taxatie niet bevalt, tot de kantonrechter wenden met het verzoek drie deskundigen aan te wijzen die een hertaxatie zullen uitvoeren. De kosten voor al deze taxaties worden betaald uit het DGF. De precieze werkwijze heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) vastgelegd in een brochure ‘Taxatie en tegemoetkoming bij een besmettelijke dierziekte’ te vinden op www.rvo.nl

Terug naar de nertsen

Op het moment dat de eerste gevallen zich in de nertsenhouderij aandienden, was (hoe kan het ook anders) Sars-Cov-2 niet aangewezen als besmettelijke dierziekte. De minister moest met stoom en heet water dit virus als een besmettelijke dierziekte aanwijzen, wilde zij kunnen beschikken over haar bevoegdheden tot het nemen van maatregelen en uiteindelijk tot het doen ruimen van de besmette bedrijven, hiervoor besproken. Dat heeft zij gedaan met de Regeling maatregelen SARS-CoV-2 bij nertsen (Stcrt. 2020, 30346). Met die ministeriële regeling is de Regeling preventie, bestrijding en monitoring aangevuld met Sars-Cov-2 als besmettelijke dierziekte bij nertsen.

Dat opende de mogelijkheid om de besmette bedrijven te doen ruimen en – daaraan voorafgaand – te laten taxeren. Op het moment van het schrijven van deze bijdrage zijn geen verzoeken om hertaxatie bekend. Het moet ervoor worden gehouden dat de bedragen die zijn gehanteerd een voldoende vergoeding hebben betekend voor de getroffen nertsenhouders. Overigens zijn de te hanteren (standaard)vergoedingen (als te doen gebruikelijk bij ‘grote’ dierziekten) afgestemd geweest tussen in dit geval de belangenbehartiger van de sector, de Nederlandse Federatie van Edelpelsdierhouders (NFE) en het ministerie/NVWA/RVO.

Betekenis voor de praktijk

Het DGF is een wat onbekende, maar onmisbare schakel in de bestrijding van dierziektes in Nederland. Veehouders zullen altijd gecompenseerd worden in het geval de uitbraak van een (als zodanig aangewezen) dierziekte noopt tot het ruimen van de dieren op hun bedrijf. Weliswaar dragen zij aan die vergoeding (als sector) zelf het meeste bij, maar dat laat onverlet dat als meer geld nodig is dat wordt betaald uit de algemene middelen en daarmee door ons allemaal. Zo belangrijk wordt de dierziektebestrijding gevonden. Een adequate dierziektebestrijding zorgt er uiteindelijk voor dat ook de volksgezondheid in zoverre verzekerd blijft.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.