Hoge Raad doet uitspraak in verjaringskwestie bij mesothelioom

De Hoge Raad heeft inmiddels uitspraak gedaan in de verjaringskwestie die speelde in een mesothelioomzaak waarover Mirjam Louws, die de werkgever in de procedure bij het gerechtshof bijstond, al eerder een blog schreef. Als advocaat bij de Hoge Raad heb ik Maersk in de cassatieprocedure bijgestaan.

Deze zaak betreft de vordering van een werknemer die van 1953 tot 1969 in dienst is geweest bij een rechtsvoorganger van Maersk en bij wie in 2010 de diagnose maligne mesothelioom (asbestkanker) is gesteld. De werknemer is aan de gevolgen daarvan overleden. In de hier besproken procedure vordert de erfgenaam van de werknemer schadevergoeding van Maersk. Die doet een beroep op verjaring van de vordering, omdat een besmetting tijdens het dienstverband met de rechtsvoorganger van Maersk (dat is overigens niet komen vast te staan) langer dan veertig jaar geleden heeft plaatsgevonden en er bijvoorbeeld geen informatie meer uit die tijd beschikbaar is. De kantonrechter en, in hoger beroep, het gerechtshof hebben het beroep op verjaring van de vordering tot schadevergoeding gehonoreerd.

Verjaring van rechtsvorderingen

In het Nederlandse recht verjaren vorderingen tot schadevergoeding door letsel of overlijden door verloop van vijf jaren nadat de benadeelde met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Deze regel geldt echter niet voor schade die voor 1 februari 2004 is veroorzaakt; daarvoor geldt de oude regel dat de vordering tot schadevergoeding in ieder geval door verloop van dertig jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis verjaart.

In zaken zoals in deze blog besproken kan dat er dus toe leiden dat de vordering is verjaard nog voordat de benadeelde met de schade bekend is geworden. Het is natuurlijk een bijzonder bittere pil als je geen aanspraak op schadevergoeding kan maken, maar aan de andere kant is het in het belang van de rechtszekerheid dat vorderingen na verloop van een zekere periode verjaren. De aangesproken partij kan bijvoorbeeld in bewijsproblemen komen als na vele jaren alsnog een schadevordering wordt ingesteld. Het is aan de rechter te oordelen of het beroep op verjaring van de rechtsvordering in de aan hem voorgelegde zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid al dan niet onaanvaardbaar is.

Bij zaken waarin vergoeding van letsel- of overlijdensschade wordt gevorderd geldt daarbij een aantal door de Hoge Raad in het arrest Van Hese/De Schelde opgestelde gezichtspunten. De Hoge Raad oordeelde al eerder dat dit stelsel een geoorloofde beperking is op het bepaalde in artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De aan de Hoge Raad voorgelegde klachten

De erfgenaam van de werknemer heeft er in cassatie onder meer over geklaagd dat de Nederlandse verjaringsregeling voor vorderingen die hun oorsprong vinden voor 1 februari 2004 niet voldoet aan de eisen die het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) daaraan stelt. Zij heeft daarbij gewezen op een recente uitspraak van het EHRM, waarin werd geoordeeld dat de benadeelde ingeval een verjaringstermijn aanvangt vanaf de schadeveroorzakende gebeurtenis toegang tot de rechter dient te hebben op het moment dat hij daadwerkelijk in staat is te bepalen of hij schade lijdt.

De Hoge Raad heeft met betrekking tot die klacht geoordeeld dat de toegang tot de rechter in dergelijke gevallen voldoende is gewaarborgd omdat de benadeelde nadat de vordering is verjaard – en afhankelijk van de omstandigheden van het geval – zich er bij de rechter op kan beroepen dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat de uitkomst van dat beroep op de redelijkheid en billijkheid niet van tevoren vaststaat acht de Hoge Raad geen beletsel. De Hoge Raad merkt daarbij op dat de gezichtspunten die in het arrest Van Hese/De Schelde zijn geformuleerd de benadeelde in staat stellen uiteen te zetten waarom hem de mogelijkheid moet worden geboden ondanks de verjaring van de vordering door te procederen over de gevorderde schadevergoeding, zodat de beperking naar het oordeel van de Hoge Raad niet het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende recht op toegang tot de rechter aantast.

Daarmee is echter niet alles gezegd. De kantonrechter had ten aanzien van één van de gezichtspunten uit Van Hese/De Schelde geoordeeld dat dat gezichtspunt voor doorbreking van de verjaring pleitte. Zowel Maersk als de werknemer hebben zich bij dat oordeel neergelegd en in hoger beroep is geprocedeerd over de oordelen met betrekking tot de andere, zwaarder wegende, gezichtspunten. Het hof heeft echter abusievelijk geoordeeld dat de kantonrechter zou hebben geoordeeld dat aan dit gezichtspunt géén gewicht ten gunste van de doorbreking van het verjaringsberoep toekomt. De Hoge Raad oordeelde de daartegen gerichte klacht van de werknemer gegrond, maar overwoog dat deze fout van het hof, gezien de oordelen ten aanzien van de andere gezichtspunten en het gewicht dat het hof in deze zaak aan de diverse gezichtspunten heeft toegekend, niet tot een ander oordeel kan leiden. Het slagen van de klacht leidt derhalve niet tot vernietiging van het arrest. Een uiterst pragmatisch oordeel van de Hoge Raad, waarbij partijen een procedure na verwijzing in cassatie – die niet tot een ander oordeel over de verjaring zou hebben kunnen leiden – wordt bespaard.

Caspar Janssens, advocaat bij de Hoge Raad

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.