Is een waterschap aansprakelijk voor het herstellen van beschoeiingen?

Op 29 mei 2013 wees de rechtbank Zeeland-West-Brabant een vonnis dat het nodige los maakte in waterschapsland. De rechtbank moest oordelen over een vordering van een perceelseigenaar die ertoe strekte dat het waterschap gehouden was om een gebrekkige beschoeiing te herstellen. De beschoeiing was in een dusdanige staat dat deze niet voorkwam dat grond uitspoelde van onder het perceel met allerlei verzakkingen tot gevolg.

De discussie bij de rechtbank spitste zich toe op de vraag hoe ver de verplichting van het waterschap strekt wat betreft beschoeiingen. Dient de beschoeiing enkel om het doorstroomprofiel te waarborgen (enge leer) of dient deze beschoeiing ook ter bescherming van de percelen achter de beschoeiing en dient het waterschap (daarmee) de beschoeiing dusdanig op orde te houden dat die percelen in goede staat blijven (ruime leer).

De rechtbank koos voor de ruime leer. Het waterschap werd veroordeeld tot herstel van de beschoeiing.

Het waterschap Brabantse Delta zag reden in beroep te gaan en op 15 augustus jl. wees het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch een tussenarrest in dat hoger beroep. Dat heeft zo lang geduurd, omdat partijen lang hebben geprobeerd om tot een oplossing te komen. Dat is uiteindelijk niet gelukt, zo is in het arrest ook te lezen. Wat ook uit het arrest volgt, is dat het waterschap uitvoering heeft gegeven aan het vonnis van de rechtbank. Uiteindelijk is de beschoeiing voor meer dan EUR 184.000,00 hersteld. Dat bedrag vordert het waterschap terug van de eigenaar, omdat het waterschap van mening is en blijft dat het de beschoeiing ten onrechte heeft moeten herstellen.

Het waterschap voert in hoger beroep (overigens net als bij de rechtbank) voor alles een aantal procesrechtelijke verweren. Dat gaat allereerst over de vraag of de vordering wel bij de juiste rechter is ingesteld en vervolgens of de vordering niet verjaard is. Over deze twee punten gaat het arrest. Er ligt dus nog geen oordeel over de vraag of de enge leer of de ruime leer moet worden toegepast. Omdat echter de overwegingen van het gerechtshof over beide procesrechtelijke punten ook al interessant zijn, hebben wij dit blog geschreven.

Civiele rechter versus bestuursrechter

Het waterschap betoogt dat in essentie de zaak neer komt op de vraag of de keur voldoende is gehandhaafd. De keur bevat immers verplichtingen die zich richten tot (buitengewoon) onderhoudsplichtigen. Van die verplichtingen kan via de bestuursrechtelijke weg handhaving worden verzocht bij het Dagelijks Bestuur van het waterschap. Bij afwijzing van het handhavingsverzoek kan naar de bestuursrechter worden gegaan. Daarmee staat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open en is er geen ruimte voor een vordering bij de civiele rechter, aldus het waterschap

Het gerechtshof gaat daar in zoverre in mee dat in een situatie dat het gaat om de toepassing van publiekrechtelijke bevoegdheden een gang naar de bestuursrechter de aangewezen weg is. In dat geval zou er inderdaad geen ruimte zijn voor een civiele vordering. Het gerechtshof constateert echter dat de vordering in kwestie ziet op het uitvoeren van feitelijke handelingen, namelijk het feitelijk herstellen van de beschoeiing. In dat geval is er ruimte voor een civiele rechter om te oordelen over een vordering die op dat herstel ziet, aldus het gerechtshof.

Verjaring

Ingewikkelder wordt het wat betreft de vraag of de vordering van de eigenaar niet reeds verjaard is. Als een vordering verjaard is, kan de civiele rechter niet meer oordelen over de vordering. De grondeigenaar had eerder aan de bel moeten trekken. In de procedure wordt aangenomen dat de vraag of sprake is van verjaring moet worden bezien aan de hand van de verjaringstermijn van vijf jaar uit artikel 3:310 BW. Dat is de bepaling die stelt dat de verjaring gaat lopen per de dag dat de grondeigenaar bekend is geworden met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon. Het gaat verder om een schadevergoeding in natura, namelijk herstel van de beschoeiing en daarmee een opheffing van de (volgens de grondeigenaar) onrechtmatige toestand

Feit is dat er al sinds de jaren negentig sprake is van verzakkingen. Feit is ook dat in 1998 geprobeerd is de beschoeiing te herstellen. Op 7 maart 2007 meldt de grondeigenaar zich bij het waterschap met de stelling dat ‘al enige jaren’ weer sprake is van verzakkingen.

Deze feiten grijpt het waterschap aan om te betogen dat de vordering is verjaard. Al in 1998 was sprake van verzakkingen en dan is een aansprakelijkstelling per 7 maart 2007 eenvoudigweg te laat. Dat standpunt passeert het gerechtshof. Het gerechtshof constateert dat in 1998 herstel heeft plaatsgevonden en dat beide partijen er toen vanuit gingen dat het herstel deugdelijk was geweest. Verzakkingen nadien geven een nieuwe situatie die weer langs de vijfjaarstermijn van artikel 3:310 BW moeten worden gelegd. Het waterschap stelde in dat verband dat sprake is geweest van verzakkingen vrij kort na 1998, de grondeigenaar hield vol dat dat pas vlak voor 2007 duidelijk is geworden dat er weer verzakkingen optraden.

Juridisch geldt dat zolang de verzakkingen plaats hebben gevonden na 7 maart 2002 (vijf jaar voor de aansprakelijkstelling van 7 maart 2007) de vordering in ieder geval integraal inhoudelijk beoordeeld kan worden. Er heeft dan tijdig een stuiting van verjaring van de vordering plaatsgevonden. Het moet dan gaan om het soort verzakkingen (omvang en plaats op het perceel) waaruit de grondeigenaar redelijkerwijs heeft moeten kunnen opmaken dat deze verband hielden met een (alsnog) gebrekkige beschoeiing.

Omdat in de procedure nog onvoldoende duidelijk is geworden wanneer dergelijke verzakkingen daadwerkelijk op begonnen te treden, geeft het gerechtshof het waterschap een bewijsopdracht. Het waterschap beroept zich op verjaring en moet dan ook bewijzen dat de verzakkingen al voor 7 maart 2002 hebben plaatsgevonden.

We gaven hiervoor al aan dat het ingewikkelder zou worden en dat wordt het wat betreft de voorlopige overwegingen over de verjaring die vervolgens volgen. Het gerechtshof wijst op het arrest van Hoge Raad van 4 mei 2018. In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld over een niet tijdige implementatie van een Europese richtlijn. De Hoge Raad oordeelde dat elke dag dat niet aan de verplichting tot implementatie werd voldaan, sprake was van een (nieuwe) onrechtmatige daad.

Dat arrest toepassend op deze zaak, oordeelt het gerechtshof vooralsnog (partijen mogen daarover later in de procedure nog een standpunt innemen) dat zich een vergelijkbare situatie voordoet. Omdat het om een schadevergoeding in natura gaat (herstel), pleegt het waterschap iedere dag dat dat herstel niet heeft plaatsgevonden een nieuwe onrechtmatige daad. Dat laatste uiteraard enkel als later onrechtmatig handelen van het waterschap wordt aangenomen en, zoals al aangegeven, is het gerechtshof aan de beantwoording van die vraag nog niet toegekomen.

Als het waterschap slaagt in de bewijsopdracht, staat daarmee vast dat de vordering is verjaard voor zover er verzakkingen voor 7 maart 2002 hebben plaatsgevonden. Van die specifieke verzakkingen kan de eigenaar dan geen herstel meer vorderen. Het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018 brengt dan wel mee dat, voor zover het waterschap na 7 maart 2002 heeft nagelaten de beschoeiing te herstellen, elke dag dat die situatie voortduurde als een zelfstandig onrechtmatig nalaten van het waterschap moet worden gezien. De daarop gegronde vorderingen verjaren (dagelijks) ieder afzonderlijk.

Dat maakt dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de schade die is veroorzaakt voor 7 maart 2002 en nadien. Dat is, nogmaals, enkel relevant als het waterschap kan bewijzen dat de verzakkingen voor 7 maart 2002 is ontstaan.

Wat is het vervolg?

Dit alles brengt wel met zich dat er in deze zaak hoe dan ook een inhoudelijk oordeel zal gaan komen over de vraag of de enge of de ruime leer wat betreft de onderhoudsverplichtingen van een waterschap moet worden toegepast en dat is waar de praktijk graag duidelijkheid over wil.

Helaas zal de praktijk daar nog wat langer op moeten wachten. De ervaring leert dat het houden van getuigenverhoren en de schriftelijke procedure naar aanleiding van die verhoren geruime tijd vergen. Vervolgens moet dan nog een arrest worden geschreven. Veel eerder dan eind 2019 is het arrest daarmee niet te verwachten.

Advocaat waterrecht

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.