Kan een ambtenaar de gemeente binden?

Contracteren met of door de overheid is niet altijd even makkelijk. Daar waar overheden er veelal zelf van uitgaan dat uitlatingen van ambtenaren niet bindend zijn, denken burgers en bedrijven precies het tegenovergestelde. De daaruit voortvloeiende conflicten hebben tot rechtspraak geleid. Daaruit kunnen enkele richtlijnen worden afgeleid.

In een wat ouder arrest van de Hoge Raad, ‘Vitesse’ (24 juni 2010), werd geoordeeld dat een gedeputeerde statenlid de provincie niet kon binden (niet hij maar provinciale staten was bevoegd). Het ging toen om een overeenkomst over het redden van voetbalclub Vitesse. Dat rechtsoordeel was in lijn met de dan geldende jurisprudentie. De Hoge Raad oordeelde evenwel dat het gedeputeerde statenlid toch het vertrouwen had gewekt dat de provincie Vitesse zou helpen in de vorm van een huurverlaging voor het Gelredome. De Hoge Raad nam aldus aan dat er geen overeenkomst tot huurverlaging tot stand was gekomen, maar dat het betreffende gedeputeerde statenlid wel onrechtmatig had gehandeld; daarvoor was de provincie aansprakelijk. Na tien jaar procederen werd de schadevergoeding afgelopen juni overigens op nul euro gesteld (zie hierover een eerder blog).

Het arrest ‘Almere’ (Hoge Raad, 1 juni 2012) leert ons dat ambtenaren, ondanks een goedkeuringsvoorbehoud bij het sluiten van een contract, onder omstandigheden wel degelijk de gemeente kunnen binden. In de genoemde zaak maakte een aantal omstandigheden (bijvoorbeeld dat er al twee jaar was onderhandeld op ambtelijk niveau en dat het college van B&W aantoonbaar bekend was met de inhoud van de onderhandelingen), dat het inroepen van de opschortende voorwaarde van instemming door het college van B&W onredelijk was. Op basis van artikel 6:23 BW, dat gaat over redelijkheid en billijkheid bij ontbindende en opschortende voorwaarden, kan er dan (toch) rechtsgeldig een overeenkomst tot stand komen.

Sinds het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2015 (‘Hof van Twente’) is de volgende regel bekend. Instemming van een college van B&W is – ondanks hun wettelijke bevoegdheid – onvoldoende voor de totstandkoming van een overeenkomst, indien er een expliciet voorbehoud tot goedkeuring door de gemeenteraad is bedongen. Dit geldt overigens ook als de gemeenteraad exclusief bevoegd is, zoals bijvoorbeeld bij bestemmingsplannen het geval is.

Recent heeft de Rotterdamse kort gedingrechter bij vonnis van 30 september 2016 moeten oordelen over de vraag of er een koopovereenkomst tot stand was gekomen tussen de gemeente Rotterdam en een vastgoedbedrijf. In die kwestie keek de rechter onder meer naar de vraag of de schijn van volmachtverlening als bedoeld in artikel 3:61 BW was gewekt door de betreffende ambtenaar en de wethouder. Dat was het geval, waardoor er een overeenkomst tot stand was gekomen. Van belang was onder andere dat er geen duidelijke voorbehouden waren gemaakt door de ambtenaar in het contract ten aanzien van zijn bevoegdheden, dat het vastgoedbedrijf wist dat de wethouder bekend was met de onderhandelingen en tot slot dat de wethouder niet of niet afwijzend heeft gereageerd toen het vastgoedbedrijf hem op de hoogte bracht van de met de ambtenaar bereikte overeenstemming. Hij gaf juist te kennen de officiële opening te willen verrichten.

Kortom, op de vraag of een ambtenaar de gemeente kan binden is het antwoord: ja, dat kan wel degelijk. De weg van de schijn van volmachtverlening kan een rol spelen (artikel 3:61 lid 2 BW), net als de redelijkheid van het inroepen van een gemaakt goedkeuringsvoorbehoud (artikel 6:23 BW). Zoals vaker hangt de uitkomst echter wel af van de omstandigheden van het geval. Vooraf duidelijkheid scheppen over of vragen naar bevoegdheden (en daar ook naar handelen) kan grote problemen voorkomen.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.