Kwaliteit van de rechtspraak: moet het getuigenverhoor op de schop?

Een veel voorkomende klacht in civiele procedures is dat de rechter geen getuigenverhoor toestaat, terwijl wel is aangeboden bewijs te leveren door middel van getuigen. Vanwege de bezuinigingen in de rechtspraak is een dergelijke gang van zaken misschien begrijpelijk, maar daarmee is het nog niet aanvaardbaar. In ongeveer tien procent van de civiele cassatiezaken wordt geklaagd over het passeren van een bewijsaanbod. Dat moet anders kunnen. Ik schreef een annotatie in Jurisprudentie Burgerlijk Procesrecht (JBPr) over het bewijsaanbod in hoger beroep, waarin ik suggesties doe voor innovatie van bewijslevering door het horen van getuigen.

Noot

15-01-2016, Hoge Raad, zaaknr. 14/05153, ECLI:NL:HR:2016:49, ECLI:NL:PHR:2015:2212 (annotatie) - Bewijsaanbod in hoger beroep ten aanzien van niet eerder gehoorde getuigen (Bron: JBPR 2016/32)

1. Eens in de zoveel tijd wijst de Hoge Raad een overzichtsarrest in kwesties die geregeld aan hem worden voorgelegd. De Hoge Raad geeft daarin nog eens de stand van zaken met betrekking tot een leerstuk weer. Het passeren van een bewijsaanbod in hoger beroep is zo’n kwestie die dusdanig vaak onder de aandacht van de Hoge Raad wordt gebracht dat het tot de core business van de Hoge Raad mag worden gerekend. Een snelle rondgang op rechtspraak.nl leert dat in de afgelopen jaren in ongeveer 10% van de bij de civiele kamer van de Hoge Raad aangebrachte zaken wordt geklaagd over het passeren van een bewijsaanbod.

2. Dat hoge percentage laat zich niet verklaren omdat het bewijsaanbod zo’n weerbarstig onderwerp is. In het voorliggende arrest komt de Hoge Raad ook niet tot nieuwe inzichten en terecht, want zo ingewikkeld is het leerstuk nu ook weer niet: feiten of rechten die de wederpartij niet of niet voldoende heeft betwist dient de rechter op grond van art. 149 lid 1 Rv als vaststaand te beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Ook indien feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels niet zijn gesteld mag de rechter die aan zijn beslissing ten grondslag leggen. Dergelijke feiten hoeven ook niet te worden bewezen. Andere feiten moeten wel worden bewezen en de partij die zich op de rechtsgevolgen van die feiten beroept kan – en moet – daarvan bewijs aanbieden. Waar in eerste aanleg aan het bewijsaanbod niet al te hoge eisen mogen worden gesteld, geldt in hoger beroep dat een partij tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten en omstandigheden die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Wat dan als voldoende specifiek kan worden beschouwd hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij betrokken dient te worden op welke wijze het partijdebat zich heeft ontwikkeld en in welk stadium het proces zich bevindt. In ieder geval moet het bewijsaanbod in hoger beroep duidelijk maken op welke stellingen het betrekking heeft en welke getuigen daarover kunnen verklaren – zonder dat echter hoeft te worden gesteld wàt die getuigen over die stelling kunnen verklaren. Voorts mag de rechter niet vooruitlopen op het resultaat van de bewijslevering, bijvoorbeeld omdat hij bepaalde waarde hecht aan reeds in het geding gebrachte bewijzen. Dat is een verboden prognose omtrent het resultaat van de bewijslevering.

3. De kern van de zaak zit in de eisen dat het bewijsaanbod in hoger beroep voldoende gespecificeerd en ter zake dienend moet zijn. Asser merkte in zijn noot bij HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270 al op dat een spanningsveld bestaat tussen enerzijds de in art. 166 lid 1 Rv vervatte eis een op het leveren van getuigenbewijs gericht aanbod te honoreren en anderzijds de realiteit van de krappe bezetting van de gerechten en de overvolle enquête-agenda’s die tot een restrictief beleid uitnodigen. Naar mijn inschatting is de situatie er tien jaar later niet beter op geworden. Dat blijkt ook uit de lezenswaardige noot bij HR 9 oktober 2015, «JBPr» 2015/68, waarin Lewin beschrijft hoe sommige raadsheren zich mede als gevolg van de grote werkdruk stiekem en in gemoede overgeven aan verboden bewijsprognoses, terwijl ze weten dat de Hoge Raad daarmee korte metten maakt. Alhoewel Lewin opmerkt dat advocaten een andere rol hebben, vergoelijkt hij die praktijk door erop te wijzen dat er advocaten zijn die bewijsaanbiedingen doen ten aanzien van stellingen waarvan zij weten dat die niet waar zijn en daarmee beogen de voortgang van de zaak te vertragen, of dat zij op oneigenlijke manier buiten het probandum om de rechter proberen te beïnvloeden of hun minder kapitaalkrachtige wederpartij op die manier proberen uit te roken. Lewin stelt dat de appelrechter er verstandig aan doet in gevallen waarin de te bewijzen aangeboden stelling uitermate onwaarschijnlijk voorkomt kritisch te beoordelen of de procespartij die bewijs heeft aangeboden aan haar stelplicht en substantiëringsplicht heeft voldaan en of haar bewijsaanbod ter zake dienend is en voldoende is gespecificeerd.

4. Ik kan me eerlijk gezegd niet voorstellen dat advocaten op grote schaal essentiële stellingen te bewijzen aanbieden waarvan zij weten dat die apert onwaar zijn. In dergelijke situaties zou het op de weg van de advocaat (moeten) liggen zijn cliënt te adviseren het niet tot een procedure te laten komen. Maar in veel zaken zijn de feiten niet zo duidelijk en zou een voorlopig getuigenverhoor uitkomst kunnen brengen. Van die mogelijkheid wordt naar mijn inschatting te weinig gebruik gemaakt. Bovendien wordt de bewijspositie in veel zaken pas duidelijk tijdens het partijdebat waardoor de advocaat wordt gedwongen getuigenbewijs aan te bieden zonder zelf precies te weten wat de uitkomst daarvan zal zijn. Indien de feiten glashelder op tafel liggen, zal het in de meeste gevallen immers niet tot een procedure komen, laat staan dat het lot van een dergelijke “geramde” zaak afhangt van de uitkomst van een getuigenverhoor. Wat ik wil zeggen is dat het aanbieden van getuigenbewijs voor de advocaat vaak ook een ongewisse uitkomst heeft maar dat getuigenbewijs in veel zaken de doorslag zal geven in het oordeel over hetgeen tussen partijen rechtens is. In het burgerlijk proces is waarheidsvinding weliswaar geen doel op zich, maar het is natuurlijk wel van belang voor een goede en geloofwaardige rechtspleging.

5. Ook het argument dat het bewijsincident zou worden aangegrepen om de procedure te vertragen of een minder kapitaalkrachtige wederpartij uit te roken vind ik eerlijk gezegd geen sterke rechtvaardiging voor het wegschrijven van een bewijsaanbod. Het oude gezegde dat een krijgsman al veel wint, al wint hij niets dan tijd, gaat naar mijn mening in het huidige civiele proces niet meer op. Niet alleen kan de bewerkstelligde vertraging leiden tot aanzienlijke kosten door het oplopen van de verschuldigde contractuele of wettelijke rente, maar ook komen de met het getuigenverhoor gemoeide kosten uiteindelijk voor rekening van de in het ongelijk gestelde partij. Ik laat dan nog daar dat een van de doelen van het toekomstig procesrecht is de doorlooptijd van de appelprocedure te bespoedigen.

6. Wat van dit een en ander verder ook zij, het mag er naar mijn mening in ieder geval niet toe leiden dat de rechter een gespecificeerd en ter zake dienend bewijsaanbod van een door hem op voorhand als uitermate onwaarschijnlijk geachte stelling wegschrijft, ook niet omdat tijd een schaars goed in de Rechtspraak is. Dat is een vorm van vroom bedrog waarmee de waarheidsvinding en de rechtszekerheid niet zijn gediend. Bovendien levert het de Hoge Raad een hoop werk op.

7. Toch begrijp ik de rechterlijke tegenzin waarmee op voorhand onwaarschijnlijk geachte bewijsaanbiedingen tegemoet wordt getreden wel: het bewijsincident in zijn huidige vorm neemt onevenredig veel tijd in beslag. Tijd die er in de Rechtspraak niet is. In deze tijd waarin kwaliteit en innovatie in de Rechtspraak centraal staan wil ik daarom een lans breken om de wettelijke regeling omtrent het getuigenbewijs op de schop te nemen. Ik denk dat het goed mogelijk is het bewijsincident efficiënter te stroomlijnen zonder af te doen aan de kwaliteit van de waarheidsvinding. In de eerste plaats kan worden gedacht aan het horen van getuigen via videoconferenties zoals dat met de Wet videoconferentie in het strafrecht in het strafproces inmiddels mogelijk is. Daarmee wordt een besparing in tijd en kosten (zoals de getuigentaxen van art. 182 Rv) bewerkstelligd.

8. Naar mijn mening kan bovendien een efficiencyslag worden gemaakt indien de contra-enquête in zijn huidige vorm verdwijnt en de rechter zich na het sluiten van de enquête aan de zijde van de partij die is toegelaten tot het bewijs en nadat partijen een conclusie na enquête hebben genomen uitspreekt of die partij is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Indien dat niet het geval is kan dat oordeel meteen in een einduitspraak worden gedaan: in een dergelijke situatie voegt een contra-enquête immers niets meer toe. Indien de rechter de desbetreffende partij op voorhand in zijn bewijsopdracht geslaagd acht of ingeval van twijfel kan de wederpartij bij een inhoudelijk niet gemotiveerde tussenuitspraak worden toegelaten tot tegenbewijs. Op die manier geeft de rechter inhoudelijk niets weg omtrent de waardering van het bijgebrachte bewijs, anders dan dat een contra-enquête geïndiceerd is. Bijkomend effect zou in voorkomend geval kunnen zijn dat het door de rechter daarmee afgegeven signaal partijen (alsnog) tot een schikking brengt. Ik denk dat dergelijke innovaties in veel gevallen een snellere en meer efficiënte rechtsgang kunnen betekenen en dat die innovaties bovendien kunnen leiden tot een aanzienlijke besparing op de kosten, zowel voor de Rechtspraak als voor partijen.

mr. C.S.G. Janssens, cassatieadvocaat bij Kneppelhout & Korthals Advocaten NV te Rotterdam

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.