Mededinging in de landbouw: de Europese Commissie geeft 'guidance'

In juni 2016 heeft de Europese Commissie (Commissie) een overzicht gepubliceerd van de Europese mededingingsregels die van toepassing zijn in de landbouw. In dit overzicht wordt verder op hoofdlijnen uitgelegd hoe deze regels moeten worden toegepast.

Mededinging in de landbouw

Artikel 42 Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU) regelt dat de mededingingsregels in de landbouw slechts van toepassing zijn indien en voor zover dat door de Europese wetgever is bepaald. Het Europees Parlement en de Raad hebben van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door onder andere in Verordening 1308/2013 (de GMO Verordening) te bepalen dat de mededingingsregels in de landbouw gewoon van toepassing zijn. Slechts ten aanzien van het kartelverbod zijn in de GMO Verordening enkele uitzonderingen opgenomen.

Beperking van de mededinging

Bij wijze van inleiding stelt de Commissie dat landbouwers gezamenlijke activiteiten mogen ontplooien zoals gezamenlijke inkoop, gezamenlijke productieplanning, gezamenlijke opslag en gezamenlijke distributie, teneinde een groter marktaandeel te krijgen. De Commissie wijst er wel op dat het enkel gezamenlijk verkopen of onderhandelen zonder daadwerkelijk gezamenlijke activiteiten te ontwikkelen die het concurrentievermogen en de doelmatigheid verbeteren in het algemeen verboden zijn.

Uitzonderingen op het kartelverbod in de GMO Verordening

Artikel 209 GMO Verordening bevat een vrijstelling van het kartelverbod voor gezamenlijke activiteiten van landbouwers en verenigingen van deze landbouwers. De voorwaarde is wel dat er (i) geen identieke prijzen worden afgesproken, (ii) de mededinging niet “wordt uitgesloten” en (iii) de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet in gevaar worden gebracht. Meer over de vrijstellingen in de blog: Mededinging in de landbouw: de huidige opzet.

Daarnaast biedt artikel 210 GMO Verordening de mogelijkheid om bepaalde afspraken van brancheorganisaties van het kartelverbod vrijgesteld te krijgen. Teneinde voor vrijstelling in aanmerking te komen moeten deze afspraken wel eerst bij de Commissie worden gemeld. De GMO Verordening bevat verder ook sectorspecifieke regels. In de sectoren olijfolie, rundvlees, akkerbouwgewassen en melk mogen producenten bijvoorbeeld hun producten gezamenlijk verkopen. Voorwaarde is wel dat het marktaandeel van deze producenten een bepaalde drempel niet overschrijdt. Daarnaast is het onafhankelijke producenten van ham en kaas die door een Europese herkomstbenaming zijn beschermd toegestaan onder voorwaarden tijdelijk productieafspraken te maken en verkoophoeveelheden vast te stellen. Zonder dit uit te werken, noemt de Europese Commissie tot slot ook nog artikel 222 GMO Verordening als grondslag voor een uitzondering op het kartelverbod.

Algemene uitzonderingen op het kartelverbod

In het geval niet geprofiteerd kan worden van een van de uitzonderingen waarin de GMO Verordening voorziet, zal de afspraak aan de algemene mededingingsregels moeten worden getoetst. Op eerste plaats noemt de Commissie de wettelijke uitzondering van artikel 101 lid 3 VWEU. Voor een geslaagd beroep op deze uitzondering moet voldaan zijn aan vier voorwaarden: (i) de afspraak moet technische of economische meerwaarde hebben, (ii) een billijk aandeel van deze voorwaarden moet ten goede komen aan consumenten, (iii) de beperking van de mededinging moet noodzakelijk zijn en (iv) er moet voldoende concurrentie overblijven. Daarnaast wijst de Commissie op het feit dat op grond van de Groepsvrijstelling specialisatie-overeenkomsten gezamenlijke verkoop is toegestaan als landbouwers hun producten gezamenlijk verwerken. Voorwaarde is wel dat het marktaandeel van de landbouwers niet groter is dan 20%.

Commentaar

Het overzicht dat de Commissie heeft gepubliceerd is heel algemeen van karakter. Toch bevat het overzicht een aantal interessante aspecten die het bespreken meer dan waard zijn. Zo staat er in het overzicht een schematische weergave van de mededingingsregels die in de landbouw van toepassing zijn:

Het is wel jammer dat het geen stroomschema is. Bovendien kan getwist worden over de vraag of het schema volledig is. Zo wordt bijvoorbeeld geen melding gemaakt van de beoordeling op basis van artikel 101 lid 1 VWEU. Dat landbouwcoöperaties in de gunst staan van Europa, weten we al sedert het Oude Luttikhuis arrest. In dat arrest merkte het Hof van Justitie landbouwcoöperaties aan als “als factor voor de modernisering en rationalisatie van de landbouwsector en voor de efficiëntie van de ondernemingen”. Dit betekent echter niet dat alleen het gezamenlijk plannen van de productie of het gezamenlijk verkopen van de producten binnen een landbouwcoöperatie zomaar is toegestaan. In het overzicht beklemtoont de Commissie dat er gezamenlijke activiteiten moeten worden ontplooid die bevorderlijk zijn voor het concurrentievermogen en de doelmatigheid. Verder valt op dat de Commissie er niet op wijst dat landbouwers hun productie mogen plannen en gezamenlijk mogen verkopen, indien zij lid zij van een producentenorganisatie (telersvereniging) en met deze organisatie één economische eenheid vormen. Hoewel staatssecretaris Dijksma zich in de in 2015 gepubliceerde Handleiding mededinging in de landbouw nog op het standpunt stelde dat het niet waarschijnlijk is dat landbouwers één economische eenheid vormen met de producentenorganisatie waarvan zij lid zijn, is het veelzeggend dat de ACM in een informele zienswijze van 3 februari 2012 tot de tegenovergestelde conclusie is gekomen. Dit is een relevant punt. Binnen een economische eenheid mag namelijk worden samengewerkt zonder dat dit strijd oplevert met het kartelverbod.

Op grond van artikel 152 GMO Verordening mogen erkende producentenorganisaties de productie van hun leden plannen en mogen zij het aanbod bundelen en verkopen. Dit beperkt noodzakelijkerwijs de mededinging. De vraag is dus hoe er vanuit het mededingingsrecht tegen deze activiteiten van erkende producentenorganisaties moet worden aangekeken. Het overzicht lijkt te impliceren dat de Commissie van mening is dat artikel 152 GMO Verordening géén zelfstandige vrijstelling bevat. Aan de hand van de in het overzicht beschreven regels moet immers worden beoordeeld of erkende producentenorganisaties de productie van hun leden plannen en of zij het aanbod mogen bundelen en verkopen. Wel wijst de Commissie er in dit kader op dat het Hof van Justitie in de Franse witlofzaak de vraag nog moet beantwoorden of artikel 152 GMO Verordening een zelfstandige vrijstelling van het kartelverbod vormt. Mijn inschatting is dat als erkende producentenorganisaties uitvoering geven aan artikel 152 GMO Verordening, de mededingingsregels moeten wijken. Steun voor deze interpretatie is te vinden in het Maizena arrest. Tot slot kan nog vermeld worden dat de Commissie in april 2016 voor het eerst gebruik heeft gemaakt van de door artikel 222 GMO Verordening geboden mogelijkheid om in tijden van crisis bepaalde mededingings-beperkende afspraken van erkende producentenorganisaties en brancheorganisaties tijdelijk toe te staan. Verordening 2016/559 geeft melkboeren toestemming om tijdelijk de productie te plannen.

Eric Janssen, advocaat mededingingsrecht en GMO-recht

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.