Mirjam Louws over de verjaring van asbestclaims

Op 15 september jl. wees het Hof Den Haag arrest in een zaak tussen Maersk en appellante, nabestaande van een voormalig werknemer van VNS. Werknemer was ruim vijftig jaar geleden werkzaam als stuurman op diverse schepen van de VNS. Medio 2010 werd bij hem maligne mesothelioom vastgesteld, waarna de werknemer Maersk aansprakelijk stelde (na zijn overlijden zette zijn nabestaande de procedure voort). De werknemer stelde tijdens zijn dienstverband bij de VNS te zijn blootgesteld geweest aan asbest. Maersk voerde hiertegen verweer, waaronder het verweer dat de vordering was verjaard. In dit artikel bespreekt Mirjam Louws, die Maersk in de procedure bijstond, het arrest van het Hof Den Haag.

Inleiding

Inmiddels is bekend dat blootstelling aan asbest kan leiden tot verschillende ziektes. De twee bekendste ziektes zijn asbestose en maligne mesothelioom. Asbestose ontstaat na langdurige en intensieve blootstelling. Daarentegen ontstaat mesothelioom bij kortdurende en incidentele blootstelling. De incubatietijd van een asbestziekte varieert van 10 - 60 jaar. Veel werknemers die worden gediagnosticeerd met een asbestziekte spreken hun voormalig werkgever (mits die nog bestaat) aan. De vordering luidt doorgaans dat de werkgever (verwijtbaar) tekort is geschoten jegens de betreffende werknemer/diens nabestaande(n) en daardoor schadeplichtig is geworden. Het verweer van de werkgever (of rechtsopvolger van, zoals in onderhavige zaak) is vervolgens dat de claim is verjaard en dat hij in de relevante periode van het dienstverband niet bekend was met het gevaar van asbest (en dat blootstelling kon leiden tot bijv. mesothelioom). Daarbij wordt onder meer gerefereerd aan maatschappelijke opvattingen in de betreffende branche tijdens het dienstverband.

Tevens is van belang of de toenmalige werkgever een asbest producerend bedrijf was (bijv. Eternit, Nefalit) of een bedrijf dat daar niet toe behoorde, zoals een rederij/vervoerder. In het laatste geval geldt een “lichtere” maatstaf en zal aansprakelijkheid minder snel op zijn plaats zijn. In de meeste gevallen is de verjaringstermijn van dergelijke claims dertig jaar (artikel 3:310 BW).[1] Als moment waarop de verjaringstermijn van dergelijke claims begint te lopen wordt het moment van blootstelling aangehouden. De uitkomst daarvan is soms dat de claim reeds is verjaard op het moment dat het slachtoffer deze instelt. Wel heeft het slachtoffer “extra” munitie: de inmiddels in tal van uitspraken terugkerende toets van de zeven gezichtspunten uit het Van Hese/De Schelde arrest en de mogelijkheid om de verjaringstermijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid te achten. Dit gebeurt slechts in uitzonderingsgevallen. De verjaringstermijn is voor asbestslachtoffers een heikel punt, maar voor werkgevers een veilige haven. Met andere woorden: het schept (rechts)zekerheid. Ergens moet een grens worden getrokken. Zo heeft het Hof ook (terecht) gedaan in onderhavige procedure. Waar ging het om? Ik schets kort de feiten, de vordering, het verweer en de uitkomst van de appelprocedure. Voor het overige verwijs ik naar de publicatie JA 2015/169, waarin tevens een waardevolle noot is opgenomen, die ik tevens hierna zal aanhalen.

Feiten

Op 15 september jl. wees het Hof Den Haag arrest in een zaak tussen rederij/vervoerder Maersk[2] en appellante, optredend voor zichzelf en in hoedanigheid van erfgename van voormalig werknemer [X] van de Vereenigde Nederlandsche Scheepvaartmaatschappij (hierna: VNS), thans Maersk[3]. [X] is in de periode van 1953 tot 1969 (laatste vaartocht in 1965 en met een korte onderbreking in 1953 en 1954 in verband met het vervullen van de militaire dienstplicht) als stuurman in dienst geweest bij de VNS. In augustus 2010 is bij [X] de diagnose maligne mesothelioom vastgesteld. [X] stelde Maersk, als rechtsopvolgster van de VNS, aansprakelijk omdat hij tijdens zijn dienstverband bij de VNS aan asbest zou zijn blootgesteld. [X] overleed en zijn erfgename zette de procedure voort.

De vorderingen, het verweer en het oordeel van de rechtbank

Appellante heeft bij dagvaarding onder meer gevorderd te verklaren voor recht dat Maersk verwijtbaar tekortgeschoten is en daardoor jegens [X] en appellante schadeplichtig is geworden. Nadat Maersk een verweer had gevoerd, heeft de kantonrechter, samengevat, geoordeeld dat Maersk zich terecht op verjaring van de vordering van appellante heeft beroepen en dat er geen grond bestaat het beroep van Maersk op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten.

Beoordeling in hoger beroep

In hoger beroep bevestigt Hof Den Haag de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Deze uitspraak erkent het beroep op verjaring van rederij Maersk als verweer tegen de vordering van appellante.

Appellante had tevens aangevoerd dat prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zouden moeten worden gesteld, gelet op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Moor c.s/Zwitserland. In laatstgenoemde uitspraak was de Zwitserse verjaringstermijn van asbestclaims in het geding. Deze termijn is maximaal tien jaar, zonder extra munitie (zoals Van Hese/De Schelde) en dus niet dertig jaar zoals de Nederlandse verjaringstermijn. De vraag of het arrest relevant is voor Nederland is in rechtspraak en kamerstukken reeds beantwoord met een volmondig neen. Het Hof ziet derhalve terecht geen motief voor prejudiciële vragen aan de Hoge Raad op grond van Moor/Zwitserland.

Voorts staat het Hof uitgebreid stil bij de zeven gezichtspunten uit het arrest Van Hese/De Schelde. Na te hebben gewikt en gewogen, ziet het Hof onvoldoende grond voor doorbreking van het beroep op verjaring dat Maersk heeft gedaan. Daarbij weegt voor het Hof met name zwaar het gebrek aan informatie over de exacte gang van zaken destijds, van welk gebrek Maersk geen verwijt kan worden gemaakt, en de omstandigheid dat Maersk geen ernstig verwijt gemaakt kan worden van het ontstaan van de schade (zie met name r.o. 4.10 van het arrest). Hierbij was mede redengevend dat Maersk geen asbest producerend bedrijf is en [X]’s laatste vaartocht in 1965 dan wel (naar Zuid-Afrika) in 1957 plaatsvond, waarover hierna meer.

De overwegingen van het Hof zijn fraai gemotiveerd. Dit “sterk staaltje vakmanschap” is niet onopgemerkt gebleven.

Noot in JA 2015/169

Recent heeft mr. dr. J.P. Quist een waardevolle noot geschreven onder het arrest van Hof Den Haag. Hierin is hij met name ingegaan op de motivering van het Hof. Het is de moeite waard om deze noot door te lezen, maar hieronder geef ik alvast de belangrijkste punten weer.

Allereerst gaat hij in op de (wijze van) invulling van de zeven gezichtspunten in het algemeen. Is dit duidelijk genoeg of niet? De lagere rechter wil nog wel eens duidelijke lijnen trekken door een bepaald gezichtspunt doorslaggevend te achten, zonder daarbij in te gaan op de andere gezichtspunten. Dat is niet in lijn met hetgeen de Hoge Raad met de catalogus uit het arrest-Van Hese/De Schelde voor ogen heeft gehad, aldus Quist.

Hij vervolgt dat de motivering van de rechter, waarin wordt uitgelegd waarom hij juist tot deze beslissing (wel of geen doorbreking) is gekomen, essentieel is. De ene motivering is de andere niet. Er zijn zaken waarin de rechter zijn afweging in meer of mindere mate van een motivering heeft voorzien. In de eerste plaats zijn dat uitspraken waarin de rechter heeft aangegeven welke gezichtspunten vóór en welke gezichtspunten tegen doorbreking van de verjaringstermijn pleiten. Vervolgens is in diverse uitspraken terug te zien dat de rechter heeft aangegeven welk gewicht aan de verschillende gezichtspunten is toegekend. “Dit lijkt al meer op een echte afweging”, aldus Quist. Tot slot is er een categorie uitspraken, waarin zowel is aangegeven welke gezichtspunten voor en welke tegen doorbreking van verjaringstermijnen pleiten, maar waarbij tevens is vermeld wat het gewicht van de in de beoordeling meegenomen factoren is. Het woord “gedachtegang” is een essentieel onderdeel van de norm waaraan de Hoge Raad de motivering van de lagere rechter toetst.

Quist concludeert op basis van de door hem geformuleerde motiveringsmaatstaven dat het onderhavige arrest van het Hof Den Haag “hoog scoort” voor wat betreft de motivering aan de hand van de gezichtspunten uit Van Hese/De Schelde. Hij schrijft: “Al met al valt het hier besproken arrest van het Hof Den Haag in de categorie die de best gemotiveerde uitspraken oplevert. Wat dat betreft dus een pluim voor het Hof.”

Conclusie

De conclusie van mr. Quist ten aanzien van de motivering kan ik zeker onderschrijven. De (wijze van) motivering door het Hof is alleszins bevredigend en gaat de boeken in als het betere “rechters-werk”. Het Hof geeft duidelijk inzicht in zijn gedachtegang en waarom het in het onderhavige geval heeft besloten dat het verjaringsverweer van Maersk dient te slagen en de vorderingen van appellante derhalve dienen te worden afgewezen.

Qua uitkomst past het arrest in lijn van vaste rechtspraak op dit gebied. De feiten van het onderliggende geval kleuren steeds de zeven gezichtspunten in. Pas in of omstreeks 1969 verscheen in Nederland een proefschrift van Stumphius, bedrijfsarts bij De Schelde, waarin het verband tussen mesothelioom en asbestblootstelling werd gelegd. Op zijn vroegst in 1969, en eigenlijk later omdat in die tijd geen landelijke ruchtbaarheid werd gegeven aan een proefschrift, kon Maersk bekend worden geacht met de gevaren (mesothelioom) van blootstelling aan asbest. Het Hof gaat er evenals de kantonrechter vanuit dat [X] als stuurman tijdens zijn Afrika-reizen (volgens getuige [Y] tot 1957 dan wel tot 1965) in contact kan zijn gekomen met asbestvezels en wel tijdens het laden en lossen en tijdens (het toezicht op) het stuwen van de lading in het ruim. Niettemin kon van de VNS, althans Maersk, gelet op haar “niet-bekendheid” in de betreffende periode niet verlangd worden dat zij veiligheids-maatregelen trof om [X] te beschermen.

Wordt vervolgd…. onlangs is cassatie ingesteld door appellante. 

[1] Ik laat buiten beschouwing het nieuwe artikel 3:310 lid 5 BW, omdat het voor onderhavige zaak niet van belang is.

[2] De auteur stond Maersk B.V. bij.

[3] VNS is de vroegere statutaire naam van Maersk B.V.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.