Niet-onherroepelijk dwangbevel onvoldoende voor toewijzing faillissementsaanvraag

De Rechtbank Den Haag heeft in een beschikking van 15 november 2016 het verzoek van de Staat om telerscoöperatie FresQ failliet te verklaren afgewezen. Volgens de rechtbank stond de vordering van de Staat namelijk onvoldoende vast.

Casus en oordeel van de rechtbank

FresQ is een erkende producentenorganisatie van groenten en fruitproducten. In die hoedanigheid heeft FresQ vanuit de Europese Unie zogeheten GMO-subsidies ontvangen. Dit is een Europese subsidie in het kader van de gemeenschappelijke Marktordening in de landbouw (GMO). Achteraf bleek dat FresQ gedurende enkele jaren niet had voldaan aan de erkenningsvoorwaarden en daarom vordert de Staat bijna 50 miljoen euro terug.

Ten tijde van het terugvorderen van de ontvangen GMO-subsidies is FresQ ontbonden en thans in liquidatie. De Staat is echter van mening dat de vereffening van FresQ beter aan een onafhankelijke curator kan worden overgelaten om de belangen van de Staat als schuldeiser te waarborgen. Daarom heeft de Staat het faillissement van FresQ aangevraagd.

In de blog Rechtbank Den Haag wijst faillissementsaanvraag FresQ af wordt de casus en het vonnis van de rechtbank verder beschreven. In deze blog staan ook links naar eerdere uitspaken over FresQ.

Commentaar

De uitspraak bevat een aantal interessante aspecten. Zo was het was de Staat en niet een gewone schuldeiser die het faillissement van FresQ aanvroeg. Over het algemeen is de Staat zeer terughoudend in het aanvragen van een faillissement. Mede gelet op deze terughoudendheid is het dan ook opmerkelijk dat het verzoek is afgewezen. En dan hebben we nog het feit dat FresQ als coöperatie feitelijk al ontbonden en in liquidatie was. Het is opvallend dat een schuldeiser, in dit geval de Staat, tijdens de vereffening het faillissement van de rechtspersoon aanvraagt. De rechter is op dit laatste aspect helaas niet ingegaan.

Faillissementsaanvraag door de Staat

De Staat kan in veel verschillende hoedanigheden schuldeiser zijn. Het gaat om bijvoorbeeld de belastingdienst, een ministerie of het CJIB. Over het algemeen is de Staat zeer terughoudend in het aanvragen van een faillissement of daaraan medewerking te verlenen. Dit blijkt ook uit beleidsregels van de belastingdienst. Daar staat in dat zij de voorkeur geeft aan het ontbinden van een rechtspersoon in plaats van het aanvragen van een faillissement. Indien ontbinding geen optie is, zal de belastingdienst alleen het faillissement aanvragen indien het gaat om een (relatief) grote belastingschuld en zal zij nagaan of alle voor beslag vatbare zaken zijn uitgewonnen. Mocht de schuld dermate hoog zijn én er geen beslag mogelijk zijn, dan zal de belastingdienst nog steeds de afweging maken of het voor de voldoening van haar vordering beter is dat de rechtspersoon blijft bestaan en de schuld langzaam zal aflossen of dat de schuld met het voortbestaan alleen maar groter zal worden. In deze zaak was FresQ echter al ontbonden. Waarom wilde de Staat dan alsnog een faillissement?

Faillissementsaanvraag in geval van liquidatie

Het komt niet vaak voor dat een schuldeiser tijdens de vereffening het faillissement van de in liquidatie zijnde rechtspersoon verzoekt. Volgens de wet eindigt het bestaan van een rechtspersoon als er geen baten meer zijn. Dit kan ook na vereffening zijn. De Hoge Raad heeft in 2013 geoordeeld dat indien door een schuldeiser wordt betwist dat er geen baten meer zijn, dit door de rechter zal moeten worden getoetst. Hiermee lijkt de Hoge Raad toentertijd de weg geopend te hebben om als schuldeiser te mogen verzoeken om een faillissement indien er de vrees is dat de belangen van de schuldeiser(s) onvoldoende zijn gewaarborgd bij de vereffening door de vereffenaars. Het is deze vrees die de Staat heeft aangedragen in de aanvraag. De Staat stelt dat hij belang heeft bij het uitspreken van het faillissement, omdat de vereffening transparanter en objectiever door een curator als onafhankelijke en professionele vereffenaar kan plaatsvinden en dat zij geen vertrouwen meer heeft in de huidige vereffenaars. Maar wat is er eigenlijk vereist voor een succesvolle faillissementsaanvraag?

Gronden voor een faillissementsaanvraag

In Nederland is voor het aanvragen van een faillissement vereist dat summierlijk gebleken dat de schuldenaar is opgehouden te betalen van zijn schulden. Om dit vast te kunnen stellen moet er sprake zijn van meerdere schuldeisers. Bovendien moet minimaal één vordering direct opeisbaar zijn. De vorderingen op de schuldenaar moeten na een kort en summier onderzoek tijdens de zitting met voldoende zekerheid vast komen te staan. Het is aan de schuldeiser als aanvrager van het faillissement om het bewijs voor het bestaan van de vorderingen aan te tonen.

De vordering van de Staat

De Staat had voor de terugvordering van de GMO-subsidie dwangbevelen uitgevaardigd. Deze dwangbevelen waren voorzien van een zogenaamde “executoriale titel”. Met een executoriale titel is het voor de schuldeiser mogelijk om zonder tussenkomst van een rechter door inschakeling van een deurwaarder betaling van de vordering af te dwingen.

Afwijzing van de faillissementsaanvraag

Normaal gesproken is een executoriale titel voldoende om een vordering aan te tonen. Dit komt omdat meestal een onafhankelijke rechter naar de zaak heeft gekeken. Bij een dwangbevel is dat niet het geval. Een dwangbevel wordt immers uitgevaardigd door het overheidsorgaan dat de vordering heeft. Door middel van dwangbevelen kan de overheid gemakkelijker vorderingen innen. De partij tot wie het dwangbevel is gericht heeft natuurlijk wel de mogelijkheid bezwaar te maken bij het betreffende overheidsorgaan. In geval het bezwaar wordt afgewezen kan in beroep worden gaan bij de bestuursrechter.

FresQ had tijdig bezwaar gemaakt tegen de dwangbevelen. Nadat het bezwaar ongegrond was verklaard, ging FresQ in beroep bij de bevoegde bestuursrechter, het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Omdat het CBb nog geen uitspraak had gedaan, waren de executoriale titels van de Staat nog door geen enkele rechter definitief bevestigd of getoetst. Daarmee stond de vordering van de Staat dus nog niet onherroepelijk vast en kon de rechter niet anders doen dan de faillissementsaanvraag af te wijzen.

In artikel 4:114 Algemene wet bestuursrecht staat dat een dwangbevel een executoriale titel oplevert. Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel volgt dat een overheidsorgaan pas tot dwanginvordering zal overgaan, nadat de vaststelling van de geldschuld onherroepelijk is geworden. Pas in die situatie mag de burgerlijke rechter het bestaan én de omvang van de geldschuld aannemen. Mede gelet hierop had de Staat kunnen weten dat de faillissementsaanvraag naar alle waarschijnlijkheid zou worden afgewezen. Wellicht wist de Staat het ook wel, maar wilde hij simpelweg een daad stellen richting zowel FresQ als de Europese Commissie. Dit blijft echter speculatie.

Jan Hendrik Vogelsang, advocaat faillissementsrecht

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.