Over de intrekking van het Wetsvoorstel Personenvennootschappen, het enquêterecht en het wetsvoorste

In onze nieuwsbrief van juli 2011 berichten wij u over de stand van zaken van het wetsvoorstel voor een nieuwe regeling voor de personenvennootschappen (“Wetsvoorstel Personenvennootschappen”). Begin september 2011 is duidelijk geworden dat dit wetsvoorstel zal worden ingetrokken. Voorts is op 27 september 2011 een wetsvoorstel ingediend om de huidige enquêteregeling op een tiental punten te wijzigen.

In dit bericht informeren wij u verder over de redenen tot intrekking van het Wetsvoorstel Personenvennootschappen, over de enquêteregeling en over de voorgestelde wijzigingen van deze regeling.

Intrekking Wetsvoorstel Personenvennootschappen
Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie heeft op 5 september 2011 aan de Eerste Kamer geschreven dat het Wetsvoorstel Personenvennootschappen zal worden ingetrokken. Minister Opstelten geeft in zijn brief aan de Eerste Kamer aan dat het Wetsvoorstel Personenvennootschappen weinig steun heeft gekregen van de beoogde gebruikers. VNO-NCW en MKB Nederland zouden hebben aangegeven dat de beoogde gebruikers geen behoefte hebben aan de nieuwe personenvennootschappen en de ermee gepaard gaande kosten. De minister komt tot de conclusie dat de primaire doelstelling van de voorgestelde regeling - namelijk het faciliteren van ondernemers - onvoldoende tot recht komt in het wetsvoorstel. De procedure voor intrekking van het wetsvoorstel zal op korte termijn worden gestart. Het is vooralsnog onduidelijk of een andere regeling zal worden voorgesteld ter vervanging van het Wetsvoorstel Personenvennootschappen.

Het enquêterecht en de voorgestelde wijzigingen daarvan
Voordat de voorgestelde wijzigingen van het enquêterecht worden besproken, volgt hier eerst een korte uiteenzetting van hoe het enquêterecht ook alweer werkt.

Degenen die belanghebbende zijn bij een onderneming hebben het recht om de rechter te verzoeken een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken in een onderneming. Dit recht wordt het recht van enquête genoemd.

Wie zijn de belanghebbenden? Dit kunnen zijn:

  • een of meer houders van aandelen of van certificaten van aandelen, die alleen of samen minstens 10 % van de aandelen of certificaten in het geplaatste kapitaal houden of die rechthebbenden zijn op een bedrag aan aandelen of certificaten tot een nominale waarde van €225.000,-- of zoveel minder als de statuten bepalen;
  • bij een coöperatie, vereniging, onderlinge waarborgmaatschappij: de leden ervan indien het minstens 300 leden betreft of 10% van de leden of van de stemmen;
  • vakorganisaties;
  • degenen die het recht bij statuten of overeenkomst van de rechtspersoon hebben gekregen;
  • de advocaat-generaal bij het Gerechtshof Amsterdam, indien het openbaar belang in het geding is.

Het verzoek moet worden gedaan aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam. De enquête kan in de eerste plaats worden bevolen bij een NV en een BV, maar ook bij een coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting en vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die een onderneming in stand houden en waarbij de verplichting bestaat om een Ondernemingsraad in te stellen.

Voordat het enquêteverzoek wordt gedaan moet de betrokken belanghebbende eerst zijn of haar bezwaren tegen het beleid of gang van zaken schriftelijk kenbaar maken aan het bestuur en/of de raad van commissarissen van de onderneming. Daarbij moet de vennootschap een redelijke termijn krijgen om de bezwaren te onderzoeken en eventueel maatregelen te nemen. Zijn de maatregelen niet naar wens of wordt niet tijdig of niet adequaat gereageerd, dan kan het enquêteverzoek worden gedaan. De enquêteprocedure bestaat uit twee afzonderlijke procedures. In de eerste procedure beslist de Ondernemingskamer of een onderzoek moet plaatsvinden naar het beleid en de gang van zaken van de onderneming. Hiervoor moet de Ondernemingskamer eerst vaststellen dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen. Is dit het geval dan kan de Ondernemingskamer het verzochte onderzoek naar wanbeleid bevelen. Gedurende de procedure is de Ondernemingskamer bevoegd onmiddellijke voorzieningen te treffen. Deze onmiddellijke voorzieningen zijn voorlopig en gelden voor de duur van het geding. Het onderzoek naar wanbeleid wordt afgesloten met een verslag van de onderzoeker dat wordt neergelegd ter griffie van de Ondernemingskamer. Blijkt uit het verslag dat sprake is van wanbeleid binnen de betrokken onderneming(en), dan kunnen de verzoekers en (onder omstandigheden ook de overige) belanghebbenden de Ondernemingskamer verzoeken om vergaande voorzieningen te treffen. Dit is de tweede procedure. De te treffen voorzieningen zijn wettelijk geregeld en variëren van een vernietiging van een bestuursbesluit of aandeelhoudersbesluit tot schorsing of ontslag van een of meer bestuurders of commissarissen.

De enquêteprocedure is een snelle en geschikte manier om bijvoorbeeld patstellingen tussen aandeelhouders te beslechten, gezonde verhoudingen te herstellen, opening van zaken te verkrijgen en vast te laten stellen bij wie de verantwoordelijkheid ligt voor mogelijk wanbeleid.

“Never change a winning team” moest de wetgever hebben gedacht, want de voorgestelde wijzigingen breiden enkel het terrein van het enquêterecht uit. De meest in het oog springende wijziging is dat de onderneming zelf nu ook het recht krijgt om een enquêteverzoek te doen. Verder worden de volgende wijzigingen voorgesteld:

  • bij de toegang tot de enquêteprocedure wordt onderscheid gemaakt tussen grote en minder grote NV’s en BV’s;
  • de Ondernemingskamer moet een tijdstip voorafgaand aan de zitting bepalen voor het indienen van verweerschriften; 
  • de belangenafweging voor de toewijzing van onmiddellijke voorzieningen wordt in de wet vastgelegd;
  • in geval nog geen onderzoek is gelast, worden onmiddellijke voorzieningen niet getroffen voordat de Ondernemingskamer voorlopig heeft geoordeeld dat toewijzing van het enquêteverzoek kan plaatsvinden;
  • indien onmiddellijke voorzieningen worden getroffen voordat een onderzoek is gelast, beslist de Ondernemingskamer binnen een redelijke termijn daarna of een onderzoek plaatsvindt;
  • het aansprakelijkheidsrisico van de onderzoekers wordt beperkt door verduidelijking van de aansprakelijkheidsnorm;
  • de redelijke kosten van verweer van de onderzoekers, tijdelijk aangestelde bestuurders en commissarissen alsmede beheerders van aandelen komen voor rekening van de rechtspersoon;
  • de onderzoekers dienen de in hun verslag genoemde personen in de gelegenheid te stellen om opmerkingen te maken ten aanzien van wezenlijke bevindingen ten aanzien van die personen; en
  • een raadsheer-commissaris houdt toezicht op de onderzoeksfase.

Het wetsvoorstel werd op 27 september 2011 ingediend en ligt momenteel bij de Tweede Kamer. Het is nog onbekend wanneer de behandeling plaatsvindt en wat de vermoedelijke datum van inwerkingtreding zal zijn. Wij houden u uiteraard op hoogte.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.