Precariobelasting: onttrekking van de openbare dienst?

Precariobelasting wordt door Nederlandse gemeenten, provincies en waterschappen geheven voor het gebruik van gronden die zijn bestemd voor openbare doeleinden. Veelal zijn het horecabedrijven die worden geconfronteerd met deze vorm van belasting wegens het gebruik van gemeentegrond ten behoeve van terrassen of andere uitstallen. Ook bouwbedrijven kunnen worden geconfronteerd met precariobelasting, wanneer zij een bouwplaats inrichten op grond van de gemeente. In dit artikel bespreken we een uitspraak van de Hoge Raad, waarin de vraag wordt beantwoord of gemeenten precariobelasting mogen heffen over een periode waarin de grond bouwrijp wordt gemaakt en (nog) geen feitelijke uitvoering is gegeven aan de bestemming.

In het systeem van de precariobelasting staan de bestemming en feitelijk gebruik van de gronden centraal. Voor het opleggen van een aanslag precariobelasting is echter niet de bestemming van het bestemmingsplan bepalend, maar het feitelijk gebruik. Indien – net als in onderhavig geval – de gemeentegrond moet worden geacht bestemd te zijn voor het publieke belang brengt dit met zich dat deze grond voor een ieder toegankelijk moet zijn. Juist dit kenmerk van de precariobelasting komt in deze uitspraak uitgebreid aan de orde.

In 2005 legt de gemeentebelasting Rotterdam een bouwbedrijf over drie tijdvakken aanslagen in de precariobelasting op wegens het in gebruik hebben van voor openbare dienst bestemde grond. Nadat de gemeente vergunning heeft verleend aan het bouwbedrijf voor het in bezit nemen van het park voor het inrichten van een bouwplaats heeft de gemeente de grond ontdaan van houtopstanden en zand gestort. Vervolgens heeft het bouwbedrijf het perceel afgesloten en het nodige materiaal op het perceel geplaatst.

Het bouwbedrijf gaat in bezwaar tegen deze aanslagen omdat zij onder meer van mening is dat de bouwgronden gedurende de betreffende tijdvakken niet openbaar toegankelijk was, er geen feitelijke uitvoering werd gegeven aan de feitelijke bestemming en er hierdoor geen sprake was van voor openbare dienst bestemde gronden. Hoewel de directeur gemeentebelastingen in zijn uitspraak op bezwaar de aanslagen wegens andere gronden beperkt tot een gedeelte van de bouwplaats, gaat het bouwbedrijf – tevergeefs – in beroep bij de Rechtbank Rotterdam en wordt de inhoudelijke discussie met betrekking tot de bestemming van de gronden uitgesteld tot de behandeling in hoger beroep.

Vervolgens buigt het hof ’s-Gravenhage zich over de vraag of de aanslagen terecht zijn opgelegd en beslist dan in het voordeel van het bouwbedrijf. Het Hof oordeelt op grond van de feitelijke omstandigheden – het afsluiten van het perceel en bouwrijp maken van gronden – dat de aanslagen onterecht zijn opgelegd. Doordat de grond aan zijn oorspronkelijke bestemming voor openbare dienst – te weten park of bos met een publieke bestemming – was onttrokken en er vervolgens nog geen feitelijke uitvoering was gegeven aan de toekomstige bestemming als parkeerplaatsen, groenstrook en openbare weg, oordeelt het Hof dat de grond niet voor de openbare dienst bestemd was.

Het Hof is aldus van mening dat de bouwplaats wegens het bouwrijp maken niet kan worden aangemerkt als voor openbare dienst bestemde gemeentegrond als bedoeld in artikel 228 van de Gemeentewet en de Verordening precario- en reclamebelasting van de gemeente Rotterdam en vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en de aanslagen, hetgeen een aanzienlijk verlies aan inkomsten zal inhouden voor de gemeente Rotterdam en andere Nederlandse gemeenten. De gemeente Rotterdam laat het er dan ook niet bij zitten en gaat in cassatie.

Dan is de Hoge Raad aan zet. De Hoge Raad maakt korte metten met de uitspraak van het Hof en beredeneert dat de grond voor aanvang van de werkzaamheden was bestemd als park en bos met een publieke bestemming en aldus kon worden aangemerkt als voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Na aanvang van de werkzaamheden was de grond weliswaar niet meer bestemd tot park en bos en (tijdelijk) niet meer openbaar toegankelijk, maar volgens de Hoge Raad doet dit geen afbreuk aan de bestemming ten behoeve van de openbare dienst. Na uitvoering van de werkzaamheden werd de grond – dan parkeerplaatsen, groenstrook en openbare weg – wederom voor het publiek toegankelijk. De Hoge Raad bepaalt dat er gezien deze bestemming nog steeds sprake is van voor openbare dienst bestemde gronden en geen sprake was van onttrekking van deze gronden wegens het bouwrijp maken en verwijst de zaak terug naar het Hof Amsterdam.

Met deze uitspraak schetst de Hoge Raad duidelijk binnen welke kaders gemeenten en andere overheden precariobelasting kunnen heffen.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.