Rechtbank Den Haag wijst faillissementsaanvraag FresQ af

De Minister van Economische Zaken (Minister) had de Rechtbank Den Haag verzocht Telerscoöperatie FresQ (FresQ) failliet te verklaren. In een beschikking van 15 november 2016 heeft de Rechtbank dit verzoek afgewezen.

De casus

FresQ is een producentenorganisatie van groenten en fruitproducenten die door het Productschap Tuinbouw (PT), de rechtsvoorgangers van de Minister, overeenkomstig de (voorloper van de huidige) GMO-Verordening was erkend. In die hoedanigheid kon FresQ in aanmerking komen voor GMO-subsidie. FresQ maakte van deze mogelijkheid gebruik en kreeg GMO-subsidie toegekend. 

In een arrest van 6 november 2014 oordeelde het Hof van Justitie (HvJ) dat FresQ met terugwerkende kracht tot en met 2005 niet aan de erkenningsvoorwaarden had voldaan. In verband hiermee werd Nederland opgedragen de aan FresQ in de betreffende periode toegekende GMO-subsidie terug te vorderen. Het genoemde arrest wordt besproken in de blog: Hof bevestigt uitspraak van Gerecht in FresQ zaak

Op 10 augustus 2012 wees Rechtbank Den Haag vonnis tussen onder meer een lid van FresQ en FresQ Red Star B.V. Toen het PT kennis kreeg van dit vonnis, startte het PT een eigen onderzoek naar FresQ. Naar aanleiding van dit onderzoek werd de erkenning van FresQ met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken. Deze intrekkingen had tot gevolg dat FresQ ook de na 1 januari 2010 ontvangen GMO-subsidie moest terug betalen.

In aparte besluiten vorderde de Minister de aan FresQ toegekende GMO-subsidie terug. Ten aanzien van deze besluiten werden vervolgens dwangbevelen uitgevaardigd en aan FresQ betekend. FresQ maakte bezwaar tegen zowel het besluit tot intrekking van de erkenning, als de besluiten tot terugvordering van de GMO-subsidie. Nadat de Minister (RVO) de bezwaren ongegrond had verklaard, ging FresQ in beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). In deze zaak is tot op heden nog geen uitspraak gedaan. Uit het vonnis van de Haagse rechtbank blijkt dat er een mondelinge behandeling is gepland op 31 januari 2017. 

Lopende de erkennings- en terugvorderingsperikelen is FresQ ontbonden. De coöperatie bevindt zich thans in liquidatie. Omdat de Minister van mening is dat de vereffening van FresQ beter door een onafhankelijke curator kan plaatsvinden, vroeg hij bij de rechtbank Den Haag het faillissement van FresQ aan.

Oordeel van de rechtbank

De faillissementsaanvraag is gebaseerd op de door de Minister uitgevaardigde dwangbevelen. Als steunvordering diende de belastingschuld van FresQ. Hoewel de dwangbevelen een executoriale titel opleveren, is de rechtbank van mening dat het vorderingsrecht op FresQ niet summierlijk is komen vast te staan. Het belangrijkste bezwaar van de rechtbank is dat de dwangbevelen niet zijn getoetst door een onafhankelijke rechter. In de blog: Niet-onherroepelijk dwangbevel onvoldoende voor toewijzing faillissementsaanvraag wordt ingegaan op de faillissementsrechtelijke aspecten van het oordeel van de Haagse rechtbank.

De Minister stelde zich verder op het standpunt dat het beroep van FresQ met betrekking tot zowel het besluit tot intrekking van de erkenning, als de besluiten tot terugvordering van de GMO-subsidie kansloos is. De rechtbank volgt de Minister hier niet in. Het gaat om een ingewikkelde materie. Op basis van een “eenvoudig onderzoek” kan niet worden vastgesteld of de Minister door het CBb in het gelijk zal worden gesteld. Het feit dat de voorzitter van het CBb de intrekking van de erkenning niet heeft geschorst, heeft de rechtbank in ieder geval niet overtuigd. Het gaat immers om een voorlopig oordeel dat het CBb niet bindt.

Tot slot meende de Minister dat zijn verzoek tot faillietverklaring van FresQ op grond van de “beginselen van zorgvuldig beheer van middelen, de gemeenschapstrouw” en artikel 54 lid 1 Vo 1306/2013 moest worden toegewezen. Ook hier gaat de rechtbank niet in mee. Het recht van FresQ op een eerlijke en inhoudelijke behandeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechter weegt volgens de rechtbank zwaarder dan de door Minister aangehaalde beginselen. Bovendien was de Minister er niet in geslaagd aan te tonen dat de procedure bij het CBb door toedoen van FresQ was vertraagd.

Om de genoemde redenen wijst de rechtbank het faillissementsverzoek van de Minister af.

Commentaar

Wederom een interessante rechterlijke uitspraak in de FresQ-saga. Overigens kwam het CBb niet meer dan twee dagen vóór de Haagse rechtbank onderhavig vonnis wees, ook met een lezenswaardige uitspraak over FresQ. In laatstbedoelde uitspraak verklaarde het CBb het beroep van een lid en een oud-bestuurder van FresQ gericht tegen zowel de intrekking van de erkenning van FresQ als de terugvordering van de GMO-subsidie ongegrond. De uitspraak van het CBb wordt besproken in de blog: Beroep telers in FresQ-zaak niet inhoudelijk behandeld.

Zoals de Minister bij de Haagse rechtbank terecht had aangevoerd, verplicht artikel 54 lid 1 Vo 1306/2013 een lidstaat tot terugvordering van – naar achteraf gebleken – ten onrechte toegekende Europese subsidies. Deze verplichting laat volgens de rechtbank echter onverlet dat iedereen, dus ook FresQ (!), recht heeft op een eerlijk en onafhankelijk proces. Als uitgangspunt is dit zondermeer toe te juichen. De vraag is alleen of FresQ er uiteindelijk veel mee opschiet. Uit een uitspraak van 30 september 2016 kan immers worden opgemaakt dat het CBb de GMO-regels strikt toepast. Meer over deze uitspraak in de blog: CBb past GMO-regels strikt toe.

Hoe dan ook, het onderhavige vonnis maakt duidelijk dat het laatste woord in de FresQ-saga nog niet is gezegd. Dit is natuurlijk triest voor FresQ en haar oud-leden. Bovendien laat het vonnis zien dat de Nederlandse overheid met een gestrekt been in het GMO-dossier zit.

Eric Janssen, advocaat GMO-recht

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.