Redelijke termijn bij opzeggen duurovereenkomsten door waterschappen.

Een mooi voorbeeld van het snijvlak tussen publiek- en privaatrecht biedt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 10 februari 2016, gepubliceerd 10 november 2016

In deze kwestie speelde het volgende. Sinds de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw loost een aantal bedrijven afvalwater via de Veenkoloniale Afval-waterleiding (VKA) in het Eems Dollard-estuarium. Zij hebben daarvoor jaarlijks een vergoeding betaald, eerst aan de provincie, later aan het waterschap Hunze en Aa’s.

Het waterschap is eigenaar van de VKA en stelt dat de bedrijven alleen gebruik mogen blijven maken van de VKA als zij in de toekomst de integrale kosten van de exploitatie, onderhoud en vervanging betalen. De bedrijven willen echter niet meer gaan betalen, waarna het waterschap in rechte vordert dat de bedrijven met inachtneming van een termijn van drie maanden van de VKA worden afgesloten.

Publieke taak?

De procespartijen hebben veel aandacht besteed aan de vraag of er sprake is van een publieke taak. Dat zou leiden tot de conclusie dat de bedrijven niet zomaar mogen worden afgesloten. Onder andere uit het Reglement 2008, de provinciale verordening waarin de taken van het waterschap zijn geregeld, volgt niet dat het beheer en onderhoud van de VKA een publieke taak van het waterschap betreft. Omdat verder niet gesteld of gebleken is dat bij andere wet- of regelgeving het waterschap een publieke taak met betrekking tot de VKA is opgedragen, concludeert de rechtbank dat die publieke taak er niet is.

Ook het verweer dat de VKA een openbare zaak is en dat het waterschap het gebruik ervan door de bedrijven moet dulden, slaagt niet. De VKA heeft namelijk geen publieke bestemming.

Publiek recht is dus niet aan de orde; de rechtsverhoudingen tussen partijen worden (eenvoudigweg) beheerst door het privaatrecht. Immers, er zijn overeenkomsten tussen het waterschap en de bedrijven die gebruik maken van de VKA. Wel doel treft het verweer dat de vordering om de bedrijven af te sluiten in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De bedrijven maken al decennia lang gebruik van de VKA voor het transport van hun afvalwater. De aanwezigheid van de VKA is voor de bedrijven een belangrijke reden geweest om hun bedrijven in de Veenkoloniën te vestigen en deze bedrijven vormen een belangrijke bron van werkgelegenheid. De komst van de bedrijven paste ook in de doelstelling van de overheid om met de VKA de regio in economisch opzicht te versterken. De bedrijven zijn voor hun bedrijfsvoering volledig afhankelijk van de VKA en hebben over de jaren heen grote investeringen gedaan die zijn afgestemd op de mogelijkheid om afvalwater op de VKA te lozen. Voor het gebruik hebben de bedrijven jaren lang publieke heffingen of een vergelijkbaar bedrag op contractuele basis betaald.

Redelijke termijn

Volgens de rechtbank mogen de bedrijven er tegen deze achtergrond op vertrouwen dat zij de komende jaren gebruik kunnen blijven maken van de VKA zonder dat op hen de integrale kosten van exploitatie, onderhoud en vervanging worden verhaald. De bedrijven moeten tenminste de tijd hebben om zich in te stellen op de situatie waarin zij geen gebruik meer kunnen van maken van de VKA of waarin dat gebruik alleen mogelijk is tegen de betaling van een hogere vergoeding dan voorheen. Er is onvoldoende gesteld en gebleken dat de bedrijven die tijd is gegund. Toewijzing van de vorderingen van het waterschap zou ertoe leiden dat het gebruik van de VKA alleen mogelijk is op de voorwaarden die het waterschap daaraan verbindt en die situatie is naar het oordeel van de rechtbank onverenigbaar met art. 6:248 lid 2 BW en met het in dat kader meegewogen vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en evenredig-heidsbeginsel.

Kortom, het waterschap en de bedrijven staan wat betreft de VKA in een privaatrechtelijke relatie tot elkaar en wel in de vorm van een duurovereenkomst. Het waterschap kon niet op de gevorderde manier af van de overeenkomsten. Een illustratief arrest van de Hoge Raad over opzegging van duurovereenkomsten door overheden is dat van 15 april 2016, (‘Stichting Gooisch Natuurreservaat’).

Opzegging is en blijft mogelijk doch binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid. De omstandigheden van het geval spelen daarbij een doorslaggevende rol. Ook in het geval van de VKA zou opzegging mogelijk moeten zijn, maar het was waarschijnlijk verstandiger geweest om vooraf te bezien wat een reële termijn zou kunnen zijn. Kennelijk is afsluiting van de bedrijven van de VKA (lees: opzegging van de betreffende duurovereenkomsten) niet redelijk binnen het tijdsbestek van drie maanden. Misschien was een langere overgangstijd, eventueel in combinatie met de betaling van een (schade)vergoeding, wel mogelijk geweest. Een alternatief had kunnen zijn om wijziging van de overeenkomsten te eisen in de vorm van een hogere exploitatievergoeding. Daarop zag de vordering echter niet.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Tot slot, de rechtbank betrekt bij het oordeel over de geconstateerde strijd met de redelijkheid en billijkheid dat het waterschap als overheidsorgaan bij het uitoefenen van zijn privaatrechtelijke bevoegdheden (uiteraard) ook rekening dient te houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zie art. 3:14 BW). De rechtbank neemt aan dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheids-beginsel en het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank geeft niet aan waarom en op welke wijze deze beginselen zijn geschonden. Dat is jammer, want de rechtspraktijk is gebaat bij meer handvatten over wat er nu wel en juist niet is toegestaan bij het beëindigen van duurcontracten.

Op het moment van het schrijven van dit blog is niet duidelijk of tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld. Wij informeren u als blijkt dat een gerechtshof naar de zaak heeft gekeken.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.