Staat een ontwerper zonder auteurs- of modelrecht met lege handen?

Ook niet-beschermde ontwerpen kunnen beschermd worden!

Of het nu om een kledingontwerp of een dessin voor tapijten of behang gaat, in de (interieur)textiel, tapijt- en kledingsector viert de creativiteit vaak hoogtij. Het auteursrecht, dat originele ontwerpen beschermt, en het modelrecht, dat kan worden aangevraagd voor ‘nieuwe’ ontwerpen met een ‘eigen karakter’, zijn voor de (interieur)textiel, tapijt- en kledingsector dan ook van groot belang. Eigenaren van ontwerpen waarop deze rechten rusten kunnen met hun auteurs- en/of modelrecht in de hand optreden tegen “copycats”. Maar wat als uw ontwerp die drempel van originaliteit/nieuwheid en eigen karakter niet haalt? Staat u dan met lege handen?

Slaafse nabootsing

Niet per definitie. In ons rechtssysteem kennen we namelijk de bescherming tegen de “slaafse nabootsing” (= onrechtmatig kopiëren) van producten. Deze bescherming kan, onder bepaalde voorwaarden, worden ingeroepen voor ontwerpen waarvoor het auteursrecht of modelrecht onvoldoende bescherming bieden.

De hoofdregel is dat kopiëren op zich toegestaan is. Nabootsen wordt pas onrechtmatig als de nabootsende concurrent niet alles heeft gedaan wat mogelijk en nodig is om verwarring bij het publiek te voorkomen. Meer concreet betekent dit dat de nabootsende concurrent bij het nabootsen verplicht is om waar mogelijk een andere weg in te slaan en zo verwarring te voorkomen. Als het weglaten van een bepaald element echter afbreuk doet aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van  het product (denk bijvoorbeeld aan een functioneel element zoals een rits), dan mag de nabootser dit “gewoon” overnemen. Laat de nabootser na om ten aanzien van de overblijvende elementen een andere weg in te slaan en sticht hij hiermee verwarring, dan is sprake van slaafse (onrechtmatige) nabootsing en kan tegen de nabootser worden opgetreden.

Eigen plaats op de markt

Deze bescherming kan echter niet zomaar worden ingeroepen. Hoewel originaliteit dan wel nieuwheid/eigen karakter niet vereist zijn, moet het nagebootste product op het moment van de nabootsing wel een eigen plaats op de markt hebben. Met andere woorden: de uiterlijke verschijningsproduct van het nagebootste product moet zich onderscheiden van die van andere, gelijksoortige producten op die markt. De vraag is: wanneer is sprake van een eigen plaats op de markt? Een aantal voorbeelden uit recente rechtspraak:

Structuurmatten Compañero

Deze structuurmat met een ruitprofiel heeft geen eigen plaats op de mark, aldus de rechtbank Gelderland. Naast het feit dat de mat functionele kenmerken heeft (o.a. de materiaalkeuze en het gebruiksgemak), werd de keuze voor het ruitprofiel dermate triviaal geacht dat dit niet kan bijdragen aan een eigen plaats op de markt. Met andere woorden: deze mat onderscheidde zich niet genoeg van andere matten op de markt.

 

Portemonnee De Rooy

En ook deze portemonnee van De Rooy Lederwaren onderscheidde zich niet van andere portemonnees. Dat De Rooy als merk bekend is bij het publiek, maakte volgens de rechtbank Zeeland-West-Brabant niets uit: naamsbekendheid speelt geen rol, het gaat puur om de uiterlijke verschijningsvorm van het product. Geen beroep op slaafse nabootsing dus.

 

Eames DSW stoel

En zelfs van deze welbekende Eames DSW stoel is zeer recent door de rechtbank Den Haag geoordeeld dat deze geen eigen plaats op de markt heeft:

Deze wereldberoemde stoel is al in de jaren ’40 ontworpen. Sindsdien is deze stoel zo vaak nagemaakt dat het inmiddels geen eigen plaats op de markt meer heeft. In de woorden van de rechtbank Den Haag: de eigenheid van het product is ‘verwaterd’. Omdat de eigen plaats op de markt wordt beoordeeld ten tijde van de nabootsing (en niet zoals in het auteursrecht ten tijde van de totstandkoming van het ontwerp), kreeg de producent van de Eames DSW stoel het deksel op de neus. De rechtbank benadrukt hier dat van een partij die zich op slaafse nabootsing beroept onder omstandigheden gevergd kan worden dat zij zich inspant om slaafse nabootsingen van de markt te weren, zodat het eigen gezicht van zijn product behouden blijft. Een wijze les dus!

Bewuste ontlening

In deze zaken hield het dus al snel op voor de ontwerpers van het nagebootste product. Maar ook als de rechter wél oordeelt dat er sprake is van een eigen plaats op de markt, is de ontwerper er nog niet. Er moet immers worden beoordeeld of de nabootser alles heeft gedaan wat redelijkerwijs mogelijk en nodig is om verwarring te voorkomen. Hierbij geldt wel dat het om ‘bewuste ontlening’ (het woord ‘nabootsing’ zegt het eigenlijk al!) moet gaan. Dit oordeelde de rechtbank Amsterdam dit jaar in de procedure die de ontwerpers van de ‘Proplamp’ tegen Ikea hadden aangespannen. Omdat Ikea kon aantonen dat zij niet bekend was met de Proplamp op het moment dat zij haar eigen Krusning-lamp ontwierp, was geen sprake van nabootsing en dus ook niet van slaafse nabootsing.

Conclusie

Het gaat in het kader van dit artikel te ver om dit onderwerp, waarover zeel veel rechtspraak is, uitgebreid te bespreken. Uit de genoemde recente zaken kunnen echter wel een aantal lessen getrokken worden:

  • bij de beoordeling of een product een eigen plaats op de markt heeft, spelen functionele, triviale en technische elementen geen rol;
  • bekendheid van het merk waaronder het product op de markt wordt gebracht speelt evenmin een rol bij de beoordeling;
  • een eigen plaats op de markt kan verwateren, blijft u zich dus inspannen om slaafse nabootsingen van de markt te weren;
  • indien u vermoedt dat uw ontwerp is nagebootst: check of de ‘nabootser’ niet eerder was, bewuste ontlening is immers vereist!

Het beste is uiteraard als u een beroep op auteurs- en/of modelrechten kunt doen, maar – wordt u ooit onverhoopt geconfronteerd met copycats - vergeet dan ook zeker de slaafse nabootsing niet!

Landine Varela, advocaat Intellectueel Eigendom, Reclame & Branding

Bron: Texpress 12

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.