Staatssteun en de staat als particuliere crediteur: de zaak Vitesse

In een besluit van 6 maart 2013 is de Europese Commissie  (Commissie) tot de conclusie gekomen dat de gemeente Arnhem (gemeente) geen staatssteun heeft gegeven aan de Arnhemse voetbalclub Vitesse (Vitesse) door een crediteurenakkoord te accepteren. 

De casus

In 2007 had Vitesse te kampen met zware financiële problemen. De club had verliezen geleden voor een nettotaal van 27,4 miljoen EUR. De schuldenberg was bijgevolg groot. De gemeente was de grootste schuldeiser. Ongeveer 45% van alle vorderingen was Vitesse aan de gemeente verschuldigd. 

Nadat de gemeente Vitesse in december 2007 aanmaande haar schulden te betalen, vatte Vitesse onderhandelingen aan met schuldeisers om de schulden te herstructureren. Er werd een concept-crediteurenakkoord bereikt met alle schuldeisers behalve de gemeente. Vervolgens vroeg Vitesse in 2008 surseance van betaling aan. Op basis van de Faillissementswet kan de rechter een onderneming die voorziet in de toekomst haar schulden niet te kunnen voldoen, bescherming bieden terwijl een bewindvoerder wordt aangesteld die de mogelijkheid onderzoekt om met de schuldeisers tot een akkoord te komen dat de onderneming in staat moet stellen haar activiteiten voort te zetten met een geherstructureerde balans. Voorwaarde is wel dat er uitzicht is op continuïteit van de onderneming.

De gewone meerderheid van schuldeisers die het crediteurenakkoord hadden geaccepteerd, vertegenwoordigden meer dan de helft van de schuld. Bijgevolg kon de rechter het door Vitesse aangeboden akkoord aannemen. Bovendien kon de rechter weigerachtige schuldenaren aan dit akkoord binden. Onder deze omstandigheden onderhandelde de gemeente met de  bewindvoerder van Vitesse. Dit leidde er uiteindelijk toe dat de gemeente alsnog instemde met het crediteurenakkoord. Net als de andere schuldeisers, ontving de gemeente hierdoor ongeveer 12% van haar vorderingen op Vitesse.

Oordeel Commissie

De Commissie is van mening dat de gemeente alles heeft gedaan wat in haar macht lag om haar vorderingen op Vitesse geïnd te krijgen. Bovendien zou Vitesse failliet zijn gegaan indien de gemeente zou hebben volhard in haar weigering het crediteurenakkoord te accepteren en de rechter het crediteurenakkoord niet bindend zou hebben verklaard. In die situatie zou de gemeente een geringer deel van haar vorderingen hebben ontvangen dan onder het crediteurenakkoord. In dit kader wijst de Commissie erop dat in geval van een faillissement de KNVB de licentie van Vitesse zou hebben ingetrokken met als gevolg dat de spelers de club transfervrij zouden kunnen verlaten. De mogelijke vergoedingen met betrekking tot deze spelers vertegenwoordigden het grootste deel van de immateriële activa op de balans van Vitesse.

Door het crediteurenakkoord te aanvaarden heeft de gemeente Vitesse volgens de Commissie geen voordeel verstrekt. Veeleer heeft de gemeente gehandeld als “een in dezelfde positie geplaatste particuliere crediteur zou hebben gedaan”. Dit betekent dat de aanvaarding van het crediteurenakkoord geen staatssteun vormt.

Commentaar

Een maatregel kwalificeert als staatssteun indien (i) een of meer ondernemingen hierdoor (ii) een niet-marktcomform voordeel ontvangen dat (iii) door de overheid wordt verschaft of met staatsmiddelen wordt bekostigd, waardoor(iv) de mededinging wordt vervalst en (v) de handel tussen de lidstaten wordt beïnvloed. Onder andere uit het Altmark arrest [r.o. 74] blijkt dat het gaat om cumulatieve voorwaarden. Indien reeds aan één voorwaarde niet in voldaan, is van staatssteun geen sprake.

De onderhavige zaak gaat uitsluitend over het element “voordeel”. Strikt genomen heeft de gemeente een financieel voordeel verschaft aan Vitesse. Doordat de gemeente het  crediteurenakkoord accepteerde, hoefde Vitesse slechts ongeveer 12% van de vorderingen van gemeente te voldoen. Het doorslaggevende punt is echter dat de gemeente volgens de Commissie handelde als een “particuliere schuldeiser”. Deze particuliere schuldeiser zou met andere woorden het crediteurenakkoord ook hebben aanvaard. Dit betekent dat de gemeente marktconform heeft gehandeld. In een dergelijke situatie is er, onder andere gelet op het SFEI / La Poste arrest [r.o. 60-61], van een voordeel als bedoeld in de staatssteunregels geen sprake is.

Om te beoordelen of een publieke crediteur als marktpartij heeft gehandeld, wordt gekeken wat een hypothetische private crediteur onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan. Er hoeft dus geen concreet voorbeeld te zijn. Van belang is wel dat de publieke crediteur vergeleken wordt met een private crediteur die zich “in dezelfde situatie bevindt” als de publieke schuldeiser. Dit volgt onder andere uit het DMT arrest [r.o. 25]. Indien de publieke crediteur bijvoorbeeld over zekerheden beschikt, gedacht kan worden aan een pandrecht of recht van hypotheek, dan moet de hypothetische private crediteur in het kader van de vergelijking over dezelfde voorrechten beschikken. Zoals het Hof van Justitie opmerkte in het arrest Spanje / Commissie [r.o. 59] vergt deze vergelijking “een complexe economische beoordeling”.

Eric Janssen, advocaat staatssteunrecht

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.