Staatssteun is geen korenwolf of steenmarter

 

De gemeente Heerlen (Gemeente) verhuurt een deel van het gemeentehuis aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). In een uitspraak van 18 mei 2018 oordeelde de rechtbank Amsterdam dat het UWV geen staatssteun heeft verleend aan de gemeente Heerlen door een - beweerdelijk - te hoge en dus niet-marktconforme huursom aan de gemeente te betalen.

 

De casus

METROPROP, volgens de eigen website een vastgoedbeheerder, meent dat het UWV staatssteun geeft aan de Gemeente door een te hoge huur te betalen. In de procedure bij de rechtbank Amsterdam vordert METROPROP daarom dat de door de Gemeente met het UWV gesloten huurovereenkomst wordt vernietigd.

 

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank merkt allereerst op dat volgens artikel 107 lid 1 VWEU van staatssteun sprake is indien (i) een onderneming (ii) een selectief voordeel ontvangt, dat (iii) door de overheid wordt verschaft of met overheidsmiddelen wordt bekostigd, waardoor (iv) de mededinging wordt vervalst en (v) de handel tussen de lidstaten wordt beïnvloed. Vervolgens controleert de rechtbank of aan al deze criteria is voldaan.

De verhuur van een deel van het gemeentehuis kan in beginsel een economische activiteit zijn. De rechtbank is echter van mening dat de gemeente en het UWV met de verhuur uitvoering hebben willen geven aan de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Deze wet schrijft voor dat gemeenten en het UWV geïntegreerde dienstverlening aan uitkeringsgerechtigden, werkzoekenden en werkgevers verlenen. De samenwerking mag vrij worden vormgegeven. Wel is het van belang dat er in alle arbeidsmarktregio’s één regionaal loket voor werkgevers is, het zogenaamde werkplein. Gelet hierop, wordt naar het oordeel van de rechtbank met de verhuur aan het UWV uitvoering gegeven aan de Wet SUWI. Daarom zijn de staatssteunregels niet op de huurovereenkomst van toepassing, aldus de rechtbank.

Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat ook als het UWV wel steun zou hebben verleend, er van staatssteun nog steeds geen sprake is. Het betreft immers een overeenkomst tussen twee overheden, zodat het om een interne kwestie gaat. De interstatenhandel wordt bijgevolg niet beïnvloed.

Aangezien niet aan alle vereisten voor de aanwezigheid van staatssteun is voldaan, wordt de vordering van METROPROP door de rechtbank afgewezen.

 

Commentaar

De begunstigde van de beweerdelijke staatssteun is de Gemeente. De eerste vraag is derhalve, heeft de Gemeente een voordeel ontvangen? De Rechtbank laat zich daar niet over uit. Maar indien het UWV een te hoge huur betaalt, lijkt de Gemeente inderdaad een voordeel te ontvangen bestaande uit het verschil tussen de betaalde huur en de marktconforme huur. Dit voordeel is ook selectief, want de Gemeente is de enige begunstigde. Verder wordt het voordeel door het UWV en dus door de overheid verstrekt. Het UWV is immers een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO).

Kijken we vervolgens naar de begunstigde, dan is de vraag of de Gemeente beschouwd kan worden als onderneming in de zin van de staatssteunregels. Volgens vaste rechtspraak is elke entiteit die een economische activiteit verricht een onderneming. Een economische activiteit is het aanbieden van goederen op een markt. Het ontbreken van een winstoogmerk is niet relevant. Bovendien is het ondernemingsbegrip functioneel van aard. Dat wil zeggen dat een entiteit zowel economische als niet-economische activiteiten kan verrichten. Dit volgt onder andere uit het AOK arrest (ro 58). Zoals bijvoorbeeld blijkt uit het besluit van de Commissie in staatssteunzaken E 2/2005 en N 642/2009 (randnrs. 5 en 87), vormt de verhuur van onroerend goed over het algemeen een economische activiteit. Aldus ligt het voor de hand om aan te nemen dat de Gemeente als onderneming kwalificeert.

De rechtbank meent echter dat de verhuur van een deel van het gemeentehuis samenhangt met de uitvoering van overheidstaken en daarvan niet kan worden gescheiden. Hiertoe verwijst de rechtbank naar het Compass-Datenbank arrest (ro 38). Compass-Datenbank verzamelde gegevens die ondernemingen op grond van een Oostenrijkse wet verplicht waren aan te leveren. Deze gegevens werden vervolgens opgeslagen in een databank. Tegen betaling verleende Compass-Datenbank aan belanghebbenden toegang tot de databank. De hoofdactiviteit, het verzamelen van de gegevens, was volgens het Hof niet-economisch van aard. Het tegen betaling verlenen van toegang tot de databank was slechts een bijkomende activiteit die een economisch karakter had. Deze bijkomende activiteit kon echter niet losgemaakt worden van de hoofdactiviteit. Het verzamelen van de gegevens zou volgens het Hof namelijk “in grote mate zijn nut verliezen indien er geen databank werd bijgehouden waarin zij ter inzage van het publiek worden opgenomen”. Vervolgens merkt het Hof op dat de vergoeding die het publiek voor de inzage moet betalen “onlosmakelijk met die beschikbaarstelling verbonden kan worden geacht, voor zover de kosten of de bijdragen voor het aan het publiek beschikbaar stellen van de informatie in kwestie niet rechtstreeks of indirect door de betrokken instantie, maar bij wet worden vastgesteld” (ro 41-42).

Betwijfeld kan worden of de verhuur van een deel van het gemeentehuis niet van de uitvoering van de Wet Suwi taken kan worden gescheiden. Uit het vonnis volgt immers dat het werkplein voorheen elders was gevestigd (ro 2.3). Het werkplein hoeft dus niet in het Gemeentehuis te zitten. Zo bezien lijkt de verhuur naar haar aard, doel en de regels waaraan zij onderworpen is, geen verband houden met de uitoefening van de Wet Suwi taken zoals voorgeschreven door het Tendernet arrest (ro 38). Bovendien heeft de Gemeente zelf de huurprijs vastgesteld. Dat lijkt niet in overeenstemming met het Compass-Daten arrest.

De door de rechtbank ten overvloede gegeven overweging dat de handel tussen de lidstaten niet wordt vervalst omdat het voordeel binnen Nederland blijft, is merkwaardig. Blijkens onder andere het Vervloet arrest is het namelijk niet noodzakelijk dat een begunstigde onderneming zelf aan het handelsverkeer tussen de lidstaten deelneemt. Wanneer een lidstaat steun toekent aan een dergelijke onderneming, kan de binnenlandse activiteit immers in stand blijven of stijgen, met als gevolg dat de kansen van in andere lidstaten gevestigde ondernemingen om in die lidstaat op de markt te komen afnemen (ro 104). Hiermee is overigens niet gezegd dat in het onderhavige geval de handel tussen de lidstaten dus wordt beïnvloed. Wellicht zouden de Gemeente en het UWV een beroep kunnen doen op de De minimis verordening.

De onderhavige uitspraak laat zien dat staatssteun geen gelegenheidsargument is om van onwelgevallige situaties af te komen, zoals de korenwolf en de steenmarter eens waren met betrekking tot bestemmingsplannen. Niet elk voordeel vormt immers staatssteun. Steeds is een gedegen analyse vereist.

 

Eric Janssen, advocaat staatssteunrecht

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.