Tenietgaan douaneschuld bij Actieve Veredeling – Belangrijk arrest Combinova AB

In de zaak C-476/19 betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing in een procedure van de Zweedse douane tegen Combinova AB werd een opmerkelijk arrest gewezen. Hierin oordeelt Het Hof van Justitie dat art. 124, lid 1, onder k, DWU aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling bedoelde gebruik van goederen uitsluitend een gebruik betreft dat verder gaat dan de veredelingen waarvoor de douaneautoriteiten een vergunning hebben verleend in het kader van de regeling actieve veredeling als bepaald in art. 256 DWU, en niet ziet op een gebruik dat in overeenstemming is met de veredelingen waarvoor een vergunning is verleend. Hierna wordt uitgebreid op dit arrest ingegaan, waarna wordt stilgestaan bij vergelijkbare situaties.

In deze zaak werd de aanzuiveringsafrekening voor de verwerking van goederen onder de regeling actieve veredeling door Combinova te laat ingediend. Zoals bekend ziet de douane het te laat indienen van deze aanzuiveringsafrekening als een feit dat een douaneschuld doet ontstaan op grond van artikel 79 van het DWU.

Nadat Combinova vruchteloos beroep had ingesteld en de Zweedse bestuursrechter (in eerste aanleg) had geoordeeld dat Combinova niet had aangetoond dat de douaneschuld teniet was gegaan, nam de Zweedse douane, (de Algemene vertegenwoordiger bij de Zweedse douane, in het Zweeds: Almänna Ombudet hos Tullverket, hierna: AOT) de zaak over en stelde hoger beroep in. Het verweer van de AOT kan als volgt worden samengevat:

  • De douaneschuld is ontstaan op het tijdstip waarop de aanzuiveringsafrekening had moeten worden ingediend. Op dat moment hadden de onderhavige goederen het douanegebied van de Unie reeds verlaten.
  • De goederen zijn noch op het moment voordat de douaneschuld is ontstaan, noch daarna, gebruikt.
  • Het gebruik voordat de douaneschuld ontstaat hield geen verband met het ontstaan van die douaneschuld en was in overeenstemming met de veredeling waarvoor een vergunning was verleend.
  • Er is geen sprake van fraude.

De AOT concludeert dat nu de goederen niet op een zodanige wijze zijn gebruikt dat de douaneschuld niet tenietgaat overeenkomstig artikel 124, lid 1, onderdeel k, DWU.

De Zweedse verwijzende rechter heeft echter twijfels over de in het laatgenoemde artikel gebruikte term “gebruikt”. Deze rechter heeft gezien dat de term “gebruikt” (met het oog op het gebruik van goederen) een aantal maal voorkomt in het DWU, maar dat de term niet is gedefinieerd. In artikel 256 DWU wordt echter gesteld dat niet-Uniegoederen onder de regeling actieve veredeling kunnen worden gebruikt bij een of meer veredelingshandelingen zonder dat zij daarbij onderworpen worden aan invoerrechten (en andere heffingen overeenkomstig andere toepasselijke voorschriften en handelspolitieke maatregelen), voor zover zij de binnenkomst in of het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Unie niet verbieden.

De Zweedse rechter verzocht derhalve om beantwoording van de vraag of een douaneschuld die ontstaat op grond van artikel 79 DWU, overeenkomstig artikel 124, lid 1, onder k) van het DWU teniet gaat indien:

  • de goederen niet zijn gebruikt of verbruikt, en
  • het douanegebied van de Unie hebben verlaten.

Betekent in dit kader de term “gebruikt” nu dat de goederen zijn verwerkt of behandeld voor het doel waarvoor een vergunning (actieve veredeling) is verleend, of heeft de term betrekking op een gebruik dat verder gaat dan die verwerking of behandeling? Ook wil de verwijzende rechter weten of het daarbij van belang is of het gebruik plaatsvindt voor of na het ontstaan van de douaneschuld.

Bij de beantwoording van de vraag constateert ook het Hof dat het DWU geen definitie kent van de term “gebruikte goederen”. Het Hof vergelijkt de verschillende taalversies en ziet hier een aantal onderlinge afwijkingen. Nu taalversies verschillen moet bij de uitlegging van een bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan de bepaling een onderdeel vormt.

De bepaling van artikel 124, lid 1, onder k, DWU, vormt in casu een onderdeel van de regeling actieve veredeling. Bij het toepassen van deze bepaling moet ook overweging 38 van het DWU, waarin is gesteld dat het dienstig is om rekening te houden met de goede trouw van de betrokkene wanneer door niet-naleving van de douanewetgeving een douaneschuld is ontstaan en de gevolgen van de onzorgvuldigheid van de schuldenaar zoveel mogelijk te beperken.

De douaneschuld die nu op grond van artikel 79 DWU is ontstaan moet worden beoordeeld op basis van de bewoording van artikel 124 en de overweging 38 van het DWU. Genoemd artikel 124 DWU stelt dat deze douaneschuld teniet gaat wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1.  Er is geen sprake van bedrog.
  2. De goederen zijn niet gebruikt op een manier die het opleggen van een douanerecht rechtvaardigt.
  3. De goederen hebben het douanegebied van de Unie verlaten.

Het begrip “gebruikte goederen”, zoals bedoeld in artikel 124, lid 1, onder k, DWU, ziet volgens het Hof enkel op een gebruik dat als zodanig een douaneschuld doet ontstaan. Dit houdt in dat goederen die enkel zijn verwerkt of behandeld zoals omschreven in de verleende vergunning en die niet op de markt worden gebracht of op een vergelijkbare manier worden gebruikt, niet zijn onderworpen aan invoerrechten.

In casu kan de douaneschuld die is ontstaan omdat Combinova de aanzuiveringsafrekening te laat heeft ingediend tenietgaan. Omdat artikel 124, lid 1, onder k, DWU, geen enkele aanwijzing omtrent het tijdstip van het gebruik omvat is dit tijdstip niet relevant voor de toepassing van dat artikel.

De beantwoording van de prejudiciële vraag geeft dan ook volledige duidelijkheid in de onderhavige casus waarin een aanzuiveringsafrekening te laat is ingediend.

Wat nu als de douane stelt dat een douaneschuld op grond van artikel 79, lid 1, onder c, DWU, is ontstaan omdat de vergunninghouder een hoeveelheid goederen onder de regeling actieve veredeling heeft gebracht die uitgaat boven de in de vergunning genoemde hoeveelheid?

Wat het tijdstip betreft stelt de douane dat de douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen onder de betrokken douaneregeling werden geplaatst (artikel 79, lid 2, onder b, DWU)).

Deze casus verschilt enkel met Combinova door de wijze waarop een schuld ontstaat door niet naleving van de een van de voorwaarden van de betreffende regeling en het moment waarop de douaneschuld ontstaat. Voor het overige is er geen verschil zodat, dit arrest volgend, de douaneschuld ook in deze casus zou moeten gaan wanneer aan de hiervoor genoemde drie voorwaarden is voldaan.

Nu kijken we iets meer naar de praktijk, want het is geen uitzondering dat de eerste veredelaar halffabricaten levert aan een tweede veredelaar die, naast de goederen ook de rechten en plichten om te voldoen aan de voorwaarden van de regeling, overneemt. Strikt genomen voldoen deze goederen nu niet aan alle drie de voorwaarden Immers, de overgedragen goederen zijn (nog) niet uitgevoerd, althans de eerste veredelaar beschikt niet over het bewijs van de uitvoer.

Echter, per definitie zullen deze goederen vanuit de douaneregeling actieve veredeling een toegelaten bestemming moeten krijgen. Die toegelaten bestemming is dan, of brengen in het vrije verkeer, waarbij de over de invoergoederen verschuldigde rechten zullen worden afgedragen, of de wederuitvoer van de goederen als veredelingsgoederen.

Wanneer we de eerder genoemde drie voorwaarden analyseren, dan passen deze voorwaarden in een coulante toepassing, in het licht van overweging 38 van het DWU. Immers wanneer sprake is van bedrog, dan is er geen enkele ruime voor coulance. Nu echter geen sprake is van bedrog is overweging 38 opgenomen om de gevolgen van een onzorgvuldigheid niet buiten proportioneel hoog te laten zijn. De tweede voorwaarde bouwt voort op eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat het tenietgaan moet worden gebaseerd op de vaststelling dat goederen niet daadwerkelijk de economische bestemming hebben gekregen die de oplegging van een heffing rechtvaardigt. Het Hof verwijst hier specifiek naar:

Zaak C-186/82, Esercizio Maggazini Generali en C-187/82, Melina Agosta , punt 14

Uit genoemd artikel en uit de negende overweging van de richtlijn blijkt, dat de redenen van het tenietgaan dienen te worden gebaseerd op de vaststelling, dat de goederen niet daadwerkelijk de economische bestemming hebben gekregen welke de toepassing van rechten bij invoer rechtvaardigt. In geval van diefstal mag worden vermoed dat de goederen in het communautaire handelsverkeer komen. Daaruit volgt, dat het begrip verlies van goederen in de zin van de richtlijn niet ziet op diefstal, ongeacht de omstandigheden waaronder deze is gepleegd.

En zaak C-459/07, Melina Agosta, punt 29

Met het tenietgaan van de douaneschuld in de zin van artikel 233, eerste alinea, sub d, van het douanewetboek wordt beoogd te vermijden dat een douanerecht wordt opgelegd in gevallen waarin de goederen weliswaar op onregelmatige wijze het grondgebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, maar er nog geen gelegenheid is geweest om ze in de handel te brengen en zij dus niet in concurrentie zijn gekomen met de communautaire goederen.

De derde voorwaarde, de goederen moeten de Unie hebben verlaten, is ons inziens enkel opgenomen om er zeker van te zijn dat er geen enkele mogelijkheid meer is om aan de goederen alsnog een economische bestemming te geven die de heffing wel rechtvaardigt.

Deze laatste bepaling is ons inziens echter overbodig. Zoals eerder gesteld moeten goederen die zich onder de regeling actieve veredeling bevinden een toegelaten bestemming krijgen. Per definitie is dat, of brengen in het vrije verkeer, waarbij de over de invoergoederen verschuldigde rechten zullen worden afgedragen, of de wederuitvoer van de goederen. De mogelijkheid van een opslag in entrepot laat ik even buiten beschouwing omdat dat enkel een uitstel van de genoemde toegelaten bestemmingen is.

Ook wanneer goederen worden overgedragen aan een opvolgende veredelaar kan ons inziens de douaneschuld tenietgaan. Ook al kan niet direct worden aangetoond dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, aan de goederen wordt geen bestemming gegeven die de toepassing van rechten bij invoer rechtvaardigt.

 

Vragen? Kneppelhout kan uw bedrijf assisteren op het gebied van douane, accijns en internationale handel.

 

Tim Hesselink, advocaat/partner International Trade & Regulatory, Ton Bendermacher, of counsel International Trade & Regulatory en Eline Mooring, advocaat International Trade & Regulatory.

 

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.