Toegang tot het recht: verjaring en bewijsproblematiek

Rechtsvorderingen verjaren in principe na verloop van vijf jaren, tenzij er sprake is bijzondere oorzaken, zoals schade die het gevolg is van verontreiniging van lucht, water of bodem of indien sprake is van blootstelling aan gevaarlijke stoffen tijdens het werk. In dergelijke situaties gelden langere verjaringstermijnen. Ik schreef een annotatie in Jurisprudentie Burgerlijk Procesrecht (JBPr) bij een zaak die momenteel nog aanhangig is bij de rechtbank Den Haag. In die zaak vordert eiser vordert van de Staat schadevergoeding op grond van de omstandigheid dat hij door Nederlandse militairen tijdens de eerste politionele actie in Nederlands-Indië is gefolterd. De staat beroept zich op verjaring van de vordering, welk beroep de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar acht. De wettelijke verjaringstermijn wordt daardoor doorbroken.

Noot

Rechtbank Den Haag 27 januari 2016 en 27 juli 2016, C 09/483033 HA ZA 15-201, ECLI:NL:RBDHA:2016:702 en ECLI:NL:RBDHA:2016:8642 (Bron: JBPr 2016/55)

1. In deze zaak vordert eiser schadevergoeding van de Staat voor gestelde, maar vooralsnog niet  bewezen, door de rechtbank als misdragingen gedefinieerde, handelingen van Nederlandse militairen jegens eiser tijdens de Eerste politionele actie op Java in 1947. Hoe men het ook bekijkt, deze periode is een zwarte bladzijde in de Nederlandse geschiedenis en deze zaak ligt dan ook zeer gevoelig. Sinds het staatsbezoek van Koningin Beatrix aan Indonesië in 1995, waar zij uitsprak dat het haar “bijzonder droevig stemde dat zovelen in deze strijd zijn omgekomen of er een leven lang de littekens van hebben moeten dragen” heeft een zekere verschuiving plaatsgevonden in het beeld over deze periode in de geschiedenis en inmiddels heeft de Staat excuses gemaakt aan alle Indonesische weduwen, en in het bijzonder de weduwen van Zuid-Sulawesi, wier mannen standrechtelijk werden geëxecuteerd. Voor deze weduwen is een regeling afgekondigd voor de ‘civielrechtelijke afwikkeling ter vergoeding van schade aan weduwen van slachtoffers van standrechtelijke executies in het voormalig Nederlands-Indië van vergelijkbare ernst en aard als Rawagedeh en Zuid-Sulawesi,’ op basis waarvan getroffen weduwen aanspraak kunnen maken op een schadevergoeding van EUR 20.000,-. Ondanks de excuses en de regeling heeft de Staat zich tot heden steeds op het formele standpunt gesteld dat rechtsvorderingen die zijn gegrond op misdragingen van Nederlandse militairen tijdens de politionele acties zijn verjaard. Ook in de voorliggende zaak heeft de Staat dat standpunt ingenomen.

2. De toegang tot het recht, en daarmee de toegang tot de rechter, is één van de fundamentele grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. In de kern komt het beginsel erop neer dat kwesties die op een serieuze manier raken aan iemands rechtspositie ter beoordeling en beslissing moeten kunnen worden voorgelegd aan de onafhankelijke overheidsrechter, die zo nodig tegenwicht kan bieden aan de andere overheidsmachten (G. Corstens en R. Kuiper, ‘De toegang tot de rechter in een moderne rechtsstaat. IJkpunten voor een concrete vormgeving’, in: Toegankelijkheid van het recht, Jv 2014/1, p. 10-11). Met haar oordelen in de hier besproken tussenvonnissen geeft de rechtbank er blijk van haar taak tegenwicht te bieden – terecht – buitengewoon serieus te nemen. De rechtbank oordeelt immers in rovv. 4.5-4.22 van het tussenvonnis van 27 januari 2016 dat het beroep van de Staat op verjaring van de rechtsvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, waarna zij de Staat op grond van artikel 22 Rv beveelt de betwisting van eisers stellingen nader toe te lichten en zo mogelijk met bewijsmiddelen te onderbouwen, waarbij de rechtbank overweegt geïnformeerd te willen worden of de Staat onderzoek heeft gedaan naar de gestelde foltering en zo ja, waaruit dat onderzoek heeft bestaan en wat de resultaten van dat onderzoek zijn.

Beroep op verjaring

3. Het recht op toegang tot de rechter kan op gespannen voet komen te staan met de wettelijke fictie dat rechtsvorderingen verjaren. Omwille van de rechtszekerheid wordt de schuldenaar beschermd tegen ‘oude’ vorderingen waarmee hij, na het verstrijken van de verjaringstermijn, geen rekening meer hoeft te houden. De verjaringstermijn heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter, waaraan strikt de hand dient te worden gehouden. Een beroep op de verjaring van een rechtsvordering kan echter in uitzonderlijke gevallen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Dergelijke uitzonderingen worden onder meer aangenomen indien de geleden schade eerst na ommekomst van de verjaringstermijn aan het licht is gekomen en de benadeelde daardoor niet eerder in staat is geweest zijn vordering in rechte aanhangig te maken. In een recent arrest (EHRM 11 maart 2014, NJ 2016, 88, m.nt. EAA (Moor/Zwitserland)) heeft het Europese Hof geoordeeld dat strikte toepassing van de absolute verjaringstermijn in dergelijke situaties in strijd komt met artikel 6 EVRM.

4. Het hierboven aangehaalde arrest wees het Europese Hof in een Zwitserse zaak waarin sprake was van blootstelling aan asbest en de benadeelde binnen de in het Zwitserse recht geldende absolute verjaringstermijn van tien jaar overleed aan de gevolgen van mesothelioom, de gevolgen waarvan meestal pas na dertig tot veertig jaar na blootstelling aan het licht komen. Het Europese Hof heeft in genoemd arrest overwogen dat het recht op toegang tot de rechter geen absoluut recht is  en dat dit recht kan worden beperkt, mits die beperking binnen de margin of appreciation blijft. Beperkingen vallen buiten deze marge indien ze de kern van het recht aantasten en bovendien dient een beperking een legitiem doel te dienen en dient een redelijk evenwicht te bestaan tussen dat legitieme doel en de ten behoeve daarvan aangewende middelen. 

5. Het Nederlandse civiele recht kent een aantal verjaringstermijnen, waarvan de langste een periode van twintig jaar beslaat. Als gezegd kan een beroep op verjaring naar Nederlands recht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. In het arrest Van Hese/De Schelde (HR 28 april 2000, NJ 2000, 430, m.nt. ARB) heeft de Hoge Raad een gezichtspuntencatalogus opgesteld, aan de hand waarvan de rechter dient te beoordelen of een beroep op verjaring al dan niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Gezichtspunten die de rechter op grond van dit arrest in zijn oordeel dient te betrekken zijn: a) de aard van de gevorderde schadevergoeding (vermogensschade of ander nadeel) en of de schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer, diens nabestaanden of een derde, b) in hoeverre het slachtoffer of zijn nabestaanden voor de schade aanspraak kunnen maken op een uitkering uit anderen hoofde, c) de mate waarin de litigieuze gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten, d) in hoeverre de aangesprokene voor het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had moeten houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn, e) of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren, f) of de aansprakelijkheid door verzekering is gedekt en g) of aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden binnen redelijke termijn nadat de schade aan het licht was gekomen.

6. Zonder met zoveel woorden daaraan te refereren loopt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep op verjaring in de voorliggende zaak de in Van Hese/De Schelde vervatte gezichtspuntencatalogus af, voor zover die gezichtspunten voor deze zaak relevant zijn. In rov. 4.8 van het vonnis van 27 januari 2016 overweegt de rechtbank dat de vordering ziet op immateriële schade voor gesteld psychisch leed die door eiser zelf is geleden (gezichtspunt a) en dat gesteld noch gebleken is dat eiser ten aanzien van zijn schade aanspraak kan maken op enige uitkering of vergoeding uit anderen hoofde (gezichtspunt b), waarna zij in rovv. 4.9 en 4.10 overwegingen wijdt aan de ernst van de gestelde feiten en de mate waarin de Staat daarvan een verwijt kan worden gemaakt (gezichtspunt c). Vervolgens heeft de rechtbank in rov. 4.11 overwogen dat niet is gebleken dat de Staat wist of kon weten van de gestelde foltering in deze zaak, maar dat de Staat wel in algemene zin moet hebben geweten van ernstige, vergelijkbare, misdragingen van Nederlandse militairen tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië. De rechtbank verwijst daarbij naar de in opdracht van de Nederlandse regering in 1969 opgestelde Excessennota, waaruit blijkt dat militairen zijn berecht voor gelijke misdragingen als door eiser zijn gesteld. De rechtbank oordeelt daarmee impliciet dat de Staat voor het einde van de verjaringstermijn rekening had dienen te houden met de mogelijkheid voor de schade aansprakelijk te zijn (gezichtspunt d).

7. De functie van de rechter tegenwicht te bieden tegen andere overheidsmachten komt ten volle tot uiting in rovv. 4.12 tot en met 4.15. De rechtbank staat in deze rechtsoverwegingen stil bij de toegang tot het recht. Zij oordeelt dat de juridische, maatschappelijke, culturele, politieke en economische positie van eiser, die woonachtig is in een dorp in Oost-Java tot gevolg hebben dat hij feitelijk geen toegang tot het Nederlandse recht heeft gehad, waarbij de rechtbank meeweegt dat de handelingen waarop de vordering van eiser zijn gebaseerd deel uitmaakten van Nederlands overheidsoptreden en dat de Staat daarvoor buiten Nederland immuniteit geniet. Eiser kon zijn vordering derhalve uitsluitend in Nederland aanhangig maken en naar oordeel van de rechtbank volgt nergens uit dat eiser de thans door hem ingestelde vordering binnen de verjaringstermijn aanhangig had kunnen maken. De rechtbank oordeelt daarbij expliciet dat de feitelijke belemmering binnen de verjaringstermijn de rechter te adiëren van belang is bij de beoordeling van het verjaringsberoep van de Staat. Deze omstandigheid is niet opgenomen in één van de gezichtspunten in Van Hese/De Schelde, maar lijkt te zijn geïnspireerd op het hierboven gememoreerde arrest Moor/Zwitserland, waarin het Europese Hof oordeelde dat het na het einde van de verjaringstermijn bekend worden met de schade, waardoor niet eerder een rechtsvordering kon worden ingesteld, een uitzondering op de handhaving van de absolute verjaringstermijn kan rechtvaardigen. Waar de uitzondering op de verjaringsregeling in die zaak werd aangenomen op grond van onbekendheid met de schade, neemt de rechtbank in de onderhavige zaak een uitzondering aan op grond van onbekendheid met de mogelijkheid tot het instellen van een rechtsvordering, waarbij de rechtbank de verwijzing naar door de Staat aangevoerde  jurisprudentie waaruit volgt dat onbekendheid met – kort gezegd – het recht geen uitzondering op de strikte handhaving van de verjaringstermijn rechtvaardigt terzijde schuift omdat de situatie van eiser niet is te vergelijken met de situatie van de gemiddelde Nederlander. De door de rechtbank uitdrukkelijk in ogenschouw genomen persoonlijke situatie van eiser komt mij alleszins relevant voor in de beoordeling van het beroep op verjaring en is in deze zaak dan ook een juiste en terechte aanvulling op de gezichtspuntencatalogus.

8. Het meewegen van deze omstandigheid is naar mijn mening eens temeer juist omdat de rechtbank ook de ‘tegenhanger’ van het recht op toegang tot het recht beoordeelt. Die tegenhanger is in Van Hese/de Schelde opgenomen (in gezichtspunt e) en ziet op de omstandigheid of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren, waarmee de ratio van de verjaringsregeling wordt aangesneden.  In rovv. 4.19-4.20 overweegt en oordeelt de rechtbank daaromtrent enerzijds dat de periode waarin de gestelde misdragingen hebben plaatsgevonden een buitengewone periode in de Nederlandse geschiedenis is en dat deze periode nog niet is afgewikkeld, hetgeen onder meer blijkt uit de regeling die de Staat ten behoeve van (onder meer) de weduwen van Sulawesi heeft getroffen en waarvan de termijn voor indiening van claims is verlengd. Anderzijds hecht de rechtbank  zwaarwegend, maar niet doorslaggevend belang aan de omstandigheid dat de bewijsproblematiek die in deze zaak onmiskenbaar een grote rol zal spelen niet alleen de Staat als verweerder treft, maar ook eiser treft, op wie immers de stelplicht en bewijslast rust.

9. De rechtbank heeft ten slotte in rov. 4.16 geoordeeld dat eiser tijdig na het bekend raken met de mogelijkheid de staat aansprakelijk te stellen heeft gehandeld door de Staat daadwerkelijk aansprakelijk te stellen, waarmee zij ook gezichtspunt g uit de in Van hese/De Schelde vervatte catalogus heeft behandeld. Gezichtspunt f, dat ziet op de omstandigheid of de schade al dan niet is gedekt door verzekering, laat de rechtbank onbesproken, naar ik aanneem omdat acta iure imperii niet verzekerbaar zijn.

10. Het komt mij voor dat het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het beroep op verjaring de toets der kritiek ruimschoots kan doorstaan. Door zoveel mogelijk aan te haken bij de in Van Hese/De Schelde gegeven gezichtspuntencatalogus heeft de rechtbank naar mijn mening op een juiste wijze het recht op toegang tot de rechter en de uit de rechtszekerheid voortvloeiende verjaringsregeling tegen elkaar afgewogen, met een alleszins te billijken uitkomst. Bovendien heeft de Rechtbank de tegenover elkaar staande rechten, te weten rechtszekerheid en toegang tot het recht, uitdrukkelijk tegen elkaar afgewogen en beoordeeld.

Bewijsproblematiek

11. Bij de beoordeling van het beroep op verjaring heeft de rechtbank reeds meegewogen dat het knelpunt in deze zaak zal zijn de levering van het bewijs van de gestelde foltering, waarvan de rechtbank terecht heeft overwogen dat de bewijslast op de eiser rust. Waar de Staat de gestelde feiten slechts in algemene termen heeft betwist lijkt de rechtbank eiser in rov. 4.32 van het tussenvonnis van 27 januari 2016 te hulp te schieten door de Staat op grond van artikel 22 Rv te bevelen de betwisting nader te onderbouwen en waar mogelijk met bewijsmiddelen te onderbouwen. De rechtbank wenst daarbij te worden geïnformeerd of de Staat naar aanleiding van de vordering bronnenonderzoek heeft verricht en wat het resultaat van dat onderzoek was. Uit het tweede tussenvonnis dat op 27 juli 2016 in deze zaak is gewezen blijkt dat de Staat bronnenonderzoek heeft verricht en dat de Staat een verslag van het Nederlands instituut voor Militaire Historie in het geding heeft gebracht. Op grond van dit een en ander handhaaft de Staat zijn betwisting van de gestelde feiten, omdat weliswaar blijkt dat de door eiser gestelde locaties hebben bestaan, maar dat het onderzoek geen aanwijzingen heeft opgeleverd dat eiser daar gevangen heeft gezeten, laat staan daar is gefolterd.

12. Op grond van dit een en ander oordeelt de rechtbank dat de Staat de gestelde feiten voldoende heeft betwist en dat eiser tot het bewijs van die feiten zal worden toegelaten. Alhoewel het de rechter steeds vrij staat een partij tot het getuigenbewijs toe te laten lijkt de rechtbank eiser ook hier royaal tegemoet te treden. En terecht: de aard en ernst van de gestelde feiten geven daar alle aanleiding toe.

Mr. C.S.G. Janssens, cassatieadvocaat bij Kneppelhout & Korthals Advocaten NV te Rotterdam

 

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.