Uitspraak RvS over onderzoeks- en actualiseringsplicht vergunningen

De onderzoeks- en actualiseringsplicht in de Wabo verplicht het bevoegd gezag om de voorschriften van een omgevingsvergunning milieu te wijzigen of de omgevings-vergunning in te trekken als technische ontwikkelingen of ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu daartoe aanleiding geven. Op 17 augustus 2016 heeft de Raad van State een duidelijke uitspraak gedaan over deze verplichting.

Achtergrond

In de uitspraak gaat het om het verzoek van Stichting Tegengas Rooi en anderen (hierna: de stichting) om de vergunning voor een biogasinstallatie in te trekken of, als dat niet mogelijk is, de voorschriften van de vergunning te wijzigen. Voor de biogasinstallatie is op 28 december 2009 en 13 augustus 2012 een vergunning verleend. Volgens de stichting voldoet de biogasinstallatie echter niet aan de beste beschikbare technieken (hierna: BBT).

Juridisch kader

Bedrijven moeten voldoen aan BBT. Om dat te waarborgen, is in de Wabo een onderzoeks- en actualiseringsplicht opgenomen. Op grond hiervan moet het bevoegd gezag regelmatig bezien of de voorschriften die aan een omgevingsvergunning milieu zijn verbonden, nog toereikend zijn gelet op de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Onder ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu valt ook de vaststelling van nieuwe of herziene conclusies over BBT.

Als blijkt dat de milieueffecten van een inrichting gelet op deze ontwikkelingen verder kunnen of moeten worden beperkt, moet het bevoegd gezag hiervoor de voorschriften van de vergunning wijzigen. Als met het wijzigen van de vergunningvoorschriften redelijkerwijs niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast, moet het bevoegd gezag de vergunning intrekken.

Uitspraak

De onderzoeks- en actualiseringsplicht ziet alleen op ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan na vergunningverlening. Ontwikkelingen van daarvoor behoren immers al bij de vergunningverlening zelf te zijn betrokken. Als de stichting van mening was dat dit niet goed was gedaan, had de stichting daarvoor gronden kunnen aanvoeren in de procedure over de vergunningverlening, zo overweegt de Raad van State. De stichting heeft dat echter niet gedaan.

De omstandigheid dat op de inrichting na vergunningverlening andere BBT-documenten, te weten BREF-documenten, van toepassing zijn geworden, terwijl deze documenten al zijn vastgesteld voor vergunningverlening, betekent niet dat sprake is van ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu of ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Deze omstandigheid kan zich voordoen als na vergunningverlening sprake is van een wijziging van de wet- en regelgeving waardoor een inrichting vanaf dat moment wordt aangemerkt als zogenaamde IPPC-installatie. Vanaf dat moment zijn ook de Europese BREF-documenten op de inrichting van toepassing. Dat betekent echter niet dat daardoor sprake is van een ontwikkeling op grond waarvan de reeds verleende vergunning moet worden ingetrokken of gewijzigd.

Het van toepassing worden van BREF-documenten kan wel een aanleiding vormen om te bezien of de voorschriften van de omgevingsvergunning milieu moeten worden gewijzigd in het belang van de bescherming van het milieu. In onderhavige situatie bestond daarvoor echter geen aanleiding. De vergunningen voldeden namelijk nog steeds aan BBT.

Franca Damen, advocaat milieurecht

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.