Verjaard of toch niet?

In artikel 3:310 lid 1 BW is bepaald dat de (vijfjarige) verjaringstermijn pas begint te lopen wanneer de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon. De vraag wanneer die termijn dan precies begint te lopen, was aan de orde in het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2017 (Mispelhoef/Rijkswaterstaat).

Situatie

In 1998 en 1999 ondervond horecagelegenheid Mispelhoef te Eindhoven ernstige wateroverlast waardoor schade is ontstaan. Kort daarvoor hadden in de omgeving diverse werkzaamheden plaatsgevonden die een effect konden hebben op de afwatering. Zo zijn bij het verbreden van de A2 door Rijkswaterstaat in 1996-1998 wijzigingen in de afvoer en waterloop aangebracht, waardoor het waterschap deels ontheffingen aan Rijkswaterstaat heeft verleend. Verder heeft de gemeente in 1999 bij de aanleg van een industrieterrein de riolering geconstrueerd en heeft zij nabij Mispelhoef een industrieterrein aangelegd en een dijk verhoogd.

In februari 2003 heeft Mispelhoef bij brief van haar rechtsbijstandsverzekeraar de gemeente en het waterschap aansprakelijk gesteld voor de schade. In die brief noemt zij de werkzaamheden die door de gemeente, het waterschap en/of Rijkswaterstaat zijn uitgevoerd als mogelijke oorzaak voor het afsluiten van de waterafvoer. Rijkswaterstaat werd op dat moment niet aansprakelijk gesteld. De gemeente en het Waterschap wezen na onderzoek de aansprakelijkheid af. Na eigen onderzoek heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van Mispelhoef Rijkswaterstaat alsnog aansprakelijk gesteld in juli 2008, meer dan vijf jaar na de brief aan het waterschap en de gemeente. De rechtbank en het hof oordeelden dat de schade verjaard was, omdat Mispelhoef laatstelijk in 2003 ermee bekend was dat de schade mogelijk kon worden toegeschreven aan de gemeente, het waterschap en/of Rijkswaterstaat. De stelling van Mispelhoef dat zij meende dat de aansprakelijkheid primair bij de gemeente of het waterschap rustte, hoefde haar er niet van te weerhouden om een vergelijkbare brief aan Rijkswaterstaat te zenden. Dit mocht volgens het hof ook van haar verwacht worden omdat zij een rechtsbijstandverlener had.

Uitkomst Hoge Raad

In cassatie was de vraag aan de orde wanneer de verjaringstermijn was gaan lopen. Sluit de Hoge Raad zich aan bij rechtbank en hof?

De Hoge Raad begint met het geven van een overzicht van zijn jurisprudentie over de korte verjaringstermijn (r.o. 3.3.2). Het enkele vermoeden van het bestaan van schade volstaat niet; het moet gaan om daadwerkelijke bekendheid daarmee. Verder moet de benadeelde voldoende zekerheid (hoeft geen absolute zekerheid te zijn) hebben verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit betekent echter niet dat voor het lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden. Dit betekent evenmin dat is vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is.

Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden. Met deze uitgangspunten in het vizier oordeelt de Hoge Raad vervolgens dat het hof ten onrechte doorslaggevend heeft geacht dat Mispelhoef bekend was met de mogelijkheid dat Rijkswaterstaat aansprakelijk was. Mispelhoef had haar rechten door aansprakelijkstelling kunnen veiligstellen (brief van februari 2003 waarin Rijkswaterstaat wordt genoemd). Dit is onvoldoende om aan te nemen dat voldoende zekerheid bestond dat de schade door handelen van Rijkswaterstaat was ontstaan, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.3.4). De Hoge Raad vernietigt en verwijst.

Advocaat-Generaal (“A-G”) Keus had daarentegen geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Hij concludeerde dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen op het moment dat hij bekend is met zijn schade en het verband heeft gelegd tussen deze schade en handelingen van voldoende bepaalde, haar bekende personen, in die zin dat de aansprakelijke persoon behoort tot een beperkte kring van door hem geïdentificeerde potentiële schadeveroorzakers (r.o. 2.6).

Slotsom

Opmerkelijk (mild) is deze uitspraak wel te noemen, zeker omdat Mispelhoef in 2003 bijgestaan werd door een rechtsbijstandsverzekeraar. De Hoge Raad vaart een andere koers dan de rechtbank, het hof en ook de A-G. Vermoedelijk hebben de A-G en het hof de nadruk gelegd op de bekendheid met de aansprakelijke persoon (dat was Mispelhoef wel blijkens de brief van februari 2003), terwijl de Hoge Raad de nadruk legt op de onduidelijkheid over de schadeoorzaak (vgl. HR 31 oktober 2003, NJ 2006/112 (Saelman).

Die oorzaak stond immers niet onomstotelijk vast. De vraag die opkomt is waarom in 2003 gekozen is om enkel de gemeente en het waterschap aansprakelijk te stellen, terwijl gelet op de onzekere oorzaak Rijkswaterstaat, het waterschap en de gemeente in feite “gelijk” waren. Dit wordt ook erkend in de brief van februari 2003.

Hoe het ook zij: bij verjaringstermijnen is het altijd oppassen geblazen. Hier heeft Mispelhoef veel geluk gehad. Het is raadzaam om een verjaringstermijn te agenderen en, voordat een verjaringstermijn verloopt, alle partijen die mogelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld, ook daadwerkelijk een aangetekend schrijven te sturen. Al is het alleen maar om deze (ongelukkige) discussie te voorkomen. Doet men dat niet, dan kan men blijkens dit arrest toch nog de dans ontspringen als bijvoorbeeld de schadeoorzaak nog niet onomstotelijk vaststaat.

Mirjam Louws, advocaat Handel, Industrie en Logistiek

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.