Verpanding van een assurantieportefeuille past niet in het wettelijk stelsel van het goederenrecht

De vraag die in dit arrest centraal staat, is of een assurantieportefeuille als zodanig in zijn geheel kan worden verpand.

In deze uitspraak waren de feiten – kort weergegeven – als volgt. Een vennootschap onder firma (hierna: de “vof”) dreef een assurantiekantoor. De vof handelde als zelfstandige tussenpersoon die bemiddelde bij het afsluiten van verzekeringsovereenkomsten en had contacten met een groot aantal verschillende verzekeraars. Op 27 juni 2007 heeft de vof met ING Bank N.V. (hierna: “ING”) een kredietovereenkomst gesloten. Deze kredietovereenkomst fungeert tevens als pandakte en houdt onder meer in dat de vof alle huidige en toekomstige bedrijfsactiva – voor zover nodig bij voorbaat – aan ING verpandt. Daarnaast heeft de vof zich verbonden om aan ING al haar toekomstige vorderingen te verpanden die zij op derden – uit welke hoofde dan ook – zou verkrijgen uit ten tijde van de verpanding nog niet bestaande rechtsverhoudingen. Op 14 mei 2013 is de vof in staat van faillissement verklaard.

ING vordert een verklaring voor recht dat zij een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de assurantieportefeuille van de inmiddels failliete vof. De curator in het faillissement van de vof stelt zich onder andere op het standpunt dat het naar huidig recht niet mogelijk is om een pandrecht te vestigen op een assurantieportefeuille als geheel.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen op grond van haar oordeel dat op een assurantieportefeuille als zodanig geen pandrecht kan worden gevestigd.[1] De rechtbank overweegt daartoe dat een pandrecht enkel kan worden gevestigd op goederen die voor overdracht vatbaar zijn (art. 3:228 BW). Goederen zijn zaken of vermogensrechten (art. 3:1 BW). Een assurantieportefeuille is geen zaak gelet op de definitie in art. 3:2 BW (“zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten”). Dan resteert de vraag of een assurantieportefeuille wel kan worden aangemerkte als vermogensrecht ex art. 3:6 BW. De losse bouwstenen waaruit een assurantieportefeuille is opgebouwd, namelijk de overeenkomsten en goodwill, zijn geen vermogensrechten, maar de vorderingsrechten die uit de overeenkomsten voortvloeien zijn dat wel. Een assurantieportefeuille als geheel is daarom geen goederenrechtelijk rechtsobject waarop een pandrecht kan worden gevestigd. In de (sprong)cassatieprocedure richt ING diverse klachten tegen dit oordeel.

De Hoge Raad (hierna: “HR”) oordeelt als volgt. Tot een assurantieportefeuille behoren de samenwerkingsovereenkomsten met verzekeraars en de overeenkomsten van opdracht met cliënten, alsmede de goodwill bestaande in de verwachting dat de cliënten verzekeringsovereenkomsten die zij in de toekomst willen sluiten, via de assurantietussenpersoon zullen sluiten. Voor het aannemen van de mogelijkheid tot het vestigen van een pandrecht op een assurantieportefeuille is in de eerste plaats vereist dat een assurantieportefeuille is aan te merken als een goed. Volgens de HR is “het samenstel van overeenkomsten en goodwill dat wordt aangeduid als een assurantieportefeuille, niet een individuele zaak of een individueel vermogensrecht, ook al wordt het in het economische verkeer als een eenheid beschouwd. Een assurantieportefeuille is daarom niet een goed in de zin van art. 3:1 BW. (…) Omdat een assurantieportefeuille als zodanig niet een goed is in de zin van art. 3:1 BW, is hij niet vatbaar voor overdracht of verpanding. Art. 4:103 lid 4 Wft, dat bepaalt dat een verzekeraar aan een verzoek van een bemiddelaar tot overdracht van diens portefeuille in beginsel moet meewerken, leidt niet tot een ander oordeel. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel en tegen de achtergrond van het wettelijke stelsel van het goederenrecht, moet worden aangenomen dat deze bepaling niet het oog heeft op overdracht in goederenrechtelijke zin (…).[2]

ING heeft tot slot aangevoerd dat het in de praktijk wenselijk is dat een assurantieportefeuille in zijn geheel kan worden verpand, omdat dit de financierbaarheid van de activiteiten van een assurantietussenpersoon ten goede komt, dat een assurantieportefeuille in de bancaire praktijk ook regelmatig als onderpand dient voor financiering en dat het recht de economische werkelijkheid moet volgen. Volgens de HR kan dit betoog ING niet baten aangezien een assurantieportefeuille geen voor overdracht en verpanding vatbaar goed is.

Kortom, verpanding  van een assurantieportefeuille past niet in het wettelijk stelsel van het goederenrecht en de HR verwerpt het cassatieberoep.

[1] Rechtbank Gelderland 4 april 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1571, r.o. 4.5 - 4.7.

[2]HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1909, r.o. 3.4 en 3.5.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.