Versterking Waddenzeedijk Texel goedgekeurd

Op 9 november 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over het besluit van GS Noord-Holland tot goedkeuring van het projectplan "Versterking Waddenzeedijk Texel secties 1 tot en met 8 en sectie 10"

Het geschil gaat over dijkversterking aan de zuidkant van Texel. Partijen in de procedure zijn het oneens over de wijze van uitvoering van de dijkversterking. Appellant in deze zaak, het NIOZ, wilde graag een andere invulling van het projectplan dan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Dat alternatief zou namelijk de eigendom van het NIOZ waarop haar onderzoeksinstituut NIOZ is gevestigd, beter beschermen. De eigendom van het NIOZ ligt buiten de Dijkring Texel in de Polder ’t Horntje, dus buiten het projectplangebied, direct aan de Waddenzee. Het NIOZ vreest daarmee voor overstroming in de toekomst. Met het alternatief van het NIOZ zou de ter plaatse aanwezige voorlanddijk (geen primaire waterkering) de functie krijgen van waterkering waarmee ook de eigendom van het NIOZ meteen beschermd zou worden. Het hoogheemraadschap zag in deze oplossing geen brood en had deze oplossing niet eens laten onderzoeken.

Is die beslissing terecht geweest? Het verweer betekent juridisch dat volgens het NIOZ het alternatievenonderzoek in de Projectnota/MER onvolledig is geweest. Zo’n verweer is al eens eerder gevoerd en daarop wijst de Afdeling ook. Uit een uitspraak van 21 juli 2009 volgt dat de vraag welke alternatieven in een concrete situatie redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De vraag moet bovendien worden beantwoord in het licht van artikel 7.23, eerste lid, onder e, van de Wet milieubeheer. Uit die bepaling volgt dat een milieueffectrapportage (hierna: MER) onder meer een beschrijving moet bevatten van de gevolgen voor het milieu die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben. Uit de genoemde bepaling volgt dat in een MER uitsluitend alternatieven hoeven te worden beschreven die, wat betreft de gevolgen voor het milieu die daarvan redelijkerwijs zijn te verwachten, mogelijk tot relevante verschillen kunnen leiden.

Vast staat dat de gronden van het NIOZ buiten de huidige primaire waterkering liggen. De veiligheidsnorm in artikel 2.2 van de Waterwet heeft betrekking op gronden die binnen de primaire waterkering liggen en heeft daarmee niet de strekking om de gronden van het NIOZ te beschermen. Voor het beschermingsbereik van artikel 2.2 is het niet relevant of in het verleden de gronden van het NIOZ binnendijks hebben gelegen (zo was namelijk de stelling van het NIOZ).

Uit de Startnotitie volgt dat het door het NIOZ gewenste alternatief redelijkerwijs geen alternatief is. De Afdeling wijst erop dat het NIOZ-alternatief ten onrechte meer omvat dan uitsluitend ervoor te zorgen dat de primaire waterkering voldoet aan de veiligheidsnorm uit de Waterwet. Deze veiligheidsnorm strekt er enkel toe dat het gebied binnen de primaire waterkering wordt beschermd en er is geen wettelijke verplichting die maakt dat het gebied dat door een primaire kering wordt beschermd wordt verruimd, zoals het NIOZ wil. In dit kader speelt geen rol dat het NIOZ een grote maatschappelijke waarde heeft en dat de overschrijdingskans ter plaatse van de gronden van het NIOZ niet gering is, aldus de Afdeling. Met dat laatste passeert de Afdeling het beroep van het NIOZ op een ander doel uit de Waterwet, namelijk het voorkomen en beperken van overstromingen. De Afdeling merkt fijntjes (en ook geheel terecht natuurlijk) op dat het overstromingsgevaar voor de gronden van het NIOZ niet toeneemt als gevolg van dit projectplan.

Dan nog de kosten van het alternatief. Het alternatief van het NIOZ is duur (ook vanwege de extra kering die moet worden gecreëerd) en kent een aantal onzekerheden dat mogelijk tot extra onderhoudskosten gaat leiden. Ook dat aspect heeft het hoogheemraadschap mogen meenemen bij het oordeel dat het alternatief niet onderzocht behoefde te worden.

Het hoogheemraadschap heeft het alternatief dus – vanuit de regel hiervoor - niet tevens behoeven te onderzoeken. De uitspraak brengt toch iets nieuws ten opzichte van de uitspraak van 21 juli 2009 die de Afdeling aanhaalt. De Afdeling blijft in dit geval zeer dicht bij de wettekst. Welk doel heeft de Waterwet en blijft het projectplan binnen die doelstellingen? Anders gezegd, welke verplichtingen rusten op de beheerder om tegen hoog water te beschermen en maken die wettelijke verplichtingen dat het alternatief onderzocht had moeten worden? Die wijze van toetsing biedt toch iets meer ruimte en houvast dan de regel uit de uitspraak van 21 juli 2009 die de Afdeling als kader voor de beoordeling aanhaalt.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.