Verzet tegen windmolens succesvol met een beroep op het huurrecht, ondanks verleende vergunningen

De geplande komst van grote windturbines op het Zeeuwse eiland Neeltje Jans heeft heel wat stof doen opwaaien. Met de verlening van alle vergunningen leek de weg vrij voor de realising. Maar met de overheid als verhuurder van het naastgelegen perceel kreeg deze zaak opeens een heel andere wending, zo blijkt uit een recente uitspraak van de kantonrechter in Den Haag.

Wat speelde er in deze zaak?

Delta Park Neeltje Jans B.V. (hierna: Neeltje Jans) huurt van de Staat der Nederlanden een deel van het voormalig werkeiland Neeltje Jans in de Oosterschelde. Zowel de dam als het eiland is eigendom van de Staat. Windpark OSK B.V. wilde op het eiland een windpark met negen windturbines realiseren. De Staat heeft daarvoor toestemming verleend in zijn hoedanigheid van eigenaar van het eiland. Twee van de windturbines, waarvan de toppen van de wieken een hoogte van 175 meter zullen bereiken, zouden zeer dicht bij het themapark Neeltje Jans worden geplaatst. Neeltje Jans vreesde veel hinder te gaan ondervinden van deze twee windturbines, waardoor onder meer bezoekersaantallen zouden kunnen teruglopen.

Bestuursrechtelijke mogelijkheden om op te komen tegen het bestemmingsplan en tegen de verlening van verschillende vergunningen zijn wel aangewend, maar zij bleken vruchteloos. Neeltje Jans is daarop een procedure gestart bij de kantonrechter. De Staat zou als verhuurder van de terreinen inbreuk maken op het huurgenot van Neeltje Jans door toestemming te geven aan Windpark OSK B.V. om de turbines te plaatsen. Dat is een toerekenbare tekortkoming, zie ook de blog van Karima Bol hierover. Neeltje Jans heeft gevorderd de Staat te verbieden ten behoeve van de realisatie van de windturbines een privaatrechtelijke toestemming aan Windpark OSK te verlenen, althans de Staat te veroordelen de privaatrechtelijke toestemming in te trekken voor het geval die toestemming al verleend was. Kort gezegd, de kantonrechter zou een streep moeten zetten door de privaatrechtelijke toestemming die de Staat gaf.

Wat zegt de kantonrechter?

De kantonrechter heeft onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad uit 2012 bepaald dat ook ‘onstoffelijke’ eigenschappen, zoals bereikbaarheid, toegankelijkheid en uitstraling kunnen leiden tot een gebrek in het gehuurde. Neeltje Jans is volgens de rechter in het huurgenot aangetast, omdat (mits voldoende ernstig van aard) de turbines leiden tot geluid, trillingen, slagschaduwvorming en gevaarzetting. Dat de Staat niet direct zelf hinderlijke effecten veroorzaakt (maar Windpark OSK B.V.), is volgens de rechter niet relevant. Immers, de Staat verleent als eigenaar permissie voor het plaatsen van de windturbines en draagt zo bij aan het ontstaan van de hinder voor haar huurder.

De Staat voert het verweer dat Neeltje Jans de turbines moet dulden, omdat het werken van algemeen nut zijn. In de Electriciteitswet en de Belemmeringenwet privaatrecht is bepaald dat dit soort windparken werken van openbaar nut zijn en derhalve moeten worden gedoogd. De regel dat het individueel belang moet wijken voor het openbaar belang is echter niet onbegrensd, aldus de kantonrechter. De Staat moet zich als overheid houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur in de privaatrechtelijke verhouding tussen hem en Neeltje Jans. Dat brengt volgens de kantonrechter met zich mee dat de Staat moet aantonen, dat de twee overlast veroorzakende turbines niet op een andere plaats in de provincie kunnen worden geplaatst. De kantonrechter noemt niet welk algemeen beginsel van behoorlijk bestuur in het geding is. Mogelijk is er gedacht aan het bestuursrechtelijke subsidiariteitsbeginsel; Dat brengt namelijk met zich dat zoveel mogelijk de minst ingrijpende maatregel moet worden gekozen. Ofwel in dit geval de minst belastende locatie voor het plaatsen van de turbines. In ieder geval heeft de Staat niet aangetoond dat er geen andere locatie mogelijk is, zodat het beroep op de gedoogplicht uit de Electriciteitswet en Belemmeringenwet privaatrecht wordt verworpen.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Naast de algemene beginselen van behoorlijk bestuur noemt de kantonrechter de redelijkheid en billijkheid, die (als vanzelfsprekend) op de huurovereenkomst van toepassing zijn. Hieruit volgt de verplichting voor de Staat om met de gerechtvaardigde belangen van Neeltje Jans rekening te houden. Hier zou tevens volgen dat de Staat moet aantonen dat er geen andere (minder belastende) locatie dan die bij Neeltje Jans mogelijk is. Dat is niet gebeurd. Het verweer van de Staat dat uit de huurovereenkomst een verplichting voor het dulden van de turbines voortvloeit, wordt dan ook verworpen. Dat acht de kantonrechter niet redelijk.

Na de vaststelling dat sommige blijvende effecten van de windturbines (anders dan de tijdelijke effecten) ernstig zijn, komt de kantonrechter tot toewijzing van de vordering van Neeltje Jans. De Staat mag géén privaatrechtelijke toestemming geven voor de twee windturbines nabij Neeltje Jans.

Duiding vonnis

Het vonnis van de Haagse kantonrechter voegt op eigen wijze iets toe aan wat we al wisten over de verhouding tussen privaatrechtelijke bevoegdheden van overheden als eigenaar van grond. Die bevoegdheden zijn allesbehalve onbeperkt (zie ook mijn eerdere blog over de gemeente Amsterdam, dat niet bevoegd bleek om kassahuisjes van rondvaartboten op gemeentegrond te ontruimen.

In sommige gevallen beperken de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en ook de redelijkheid en billijkheid de positie van de overheid als verhuurder of eigenaar.

Michiel de Groote, advocaat overheidsrecht

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.