Vorder ook loon terug!

Een werknemer die meent ten onrechte op staande voet te zijn ontslagen kan kiezen: of vernietiging van de opzegging en doorbetaling van loon vorderen, of betaling van een billijke vergoeding. Indien de werknemer opteert voor de eerste optie, dan is op het moment dat de kantonrechter deze vorderingen toewijst het ontslag op staande voet vernietigt, de arbeidsovereenkomst in stand gebleven en heeft de werknemer recht op betaling van loon. Gaat de werkgever in hoger beroep dan is het verstandig om separaat ook terugbetaling van het loon te vorderen.

Een werknemer met een contract voor onbepaalde tijd wordt op 24 juli 2015 op staande voet ontslagen. Binnen de daarvoor gestelde termijn van twee maanden dient hij een verzoekschrift in tot vernietiging van de opzegging (het ontslag op staande voet) en tot doorbetaling van het loon. De werkgever voert verweer en verzoekt tevens de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden, voor het geval de arbeidsovereenkomst niet al op 24 juli 2015 is geëindigd. De kantonrechter beslist echter in het voordeel van de werknemer en vernietigt de opzegging. Ook wijst de kantonrechter het verzoek van de werknemer tot doorbetaling van het loon toe. Het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen.

De werkgever eist in hoger beroep bij Hof Den Bosch dat de beschikking van de kantonrechter wordt vernietigd en de vorderingen van de werknemer worden afgewezen. In tegenstelling tot de kantonrechter oordeelt het hof wél dat sprake is geweest van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet.

Einddatum

Anders dan voor de invoering van de Wet werk en zekerheid betekent het thans indien in hoger beroep wordt geoordeeld dat een ontslag op staande voet wel rechtsgeldig was gegeven, niet dat de arbeidsovereenkomst hierdoor alsnog op de aanvankelijke ontslagdatum – in casu 24 juli 2015 – is geëindigd. Als de kantonrechter een ontslag op staande voet vernietigt, blijft de arbeidsovereenkomst in stand, óók als het hof van oordeel is dat het ontslag op staande voet wel terecht was. Het hof dient dan een (nieuw) tijdstip te bepalen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt (art. 7:683 lid 6 BW). Die einddatum kan niet in het verleden liggen.

Loon?

Het enkele feit dat de arbeidsovereenkomst voortduurt tot de door het hof vast te stellen einddatum betekent niet zonder meer dat de werknemer ook recht heeft op loon. De wet stelt dat het recht er louter is indien de werknemer de arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever dient te komen. Over de vraag of in geval van een eerder rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, sprake is van een ‘oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever dient te komen’, kan verschillend worden gedacht. Voor de invoering van de Wet werk en zekerheid was er bij een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, simpelweg geen arbeidsovereenkomst meer, waardoor er ook geen recht meer was op loon en die discussie niet gevoerd hoefde te worden. Sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid is die arbeidsovereenkomst er echter nog wel. Hof Den Bosch is daarom van mening  dat wanneer een werkgever in hoger beroep wil bereiken dat niet alleen de arbeidsovereenkomst eindigt, maar dat hij ook geen (of minder) loon verschuldigd is vanaf de datum van het ontslag op staande voet, het hoger beroep uitdrukkelijk ook gericht moet zijn tegen het oordeel van de kantonrechter dat het loon moet worden betaald.

Oordeel hof

De werkgever in deze zaak heeft zijn grief bij het hof uitsluitend gericht tegen het oordeel van de kantonrechter over de dringende reden. Het hoger beroep is niet gericht tegen de veroordeling tot doorbetaling van het loon. Het hof is daarom van mening dat zij niet kan toetsen of de werkgever het loon verschuldigd was na het ontslag op staande voet. De bestreden beschikking van de kantonrechter aangaande loondoorbetalingsverplichting tot aan het einde van het dienstverband, blijft om die reden in stand.

Pyrrusoverwinning

Al met al een pyrrusoverwinning voor de werkgever. Enerzijds kan worden gesteld dat zij heeft gewonnen doordat het hof alsnog oordeelt dat op 24 juli 2015 het ontslag op staande voet terecht was gegeven (en het oordeel van de kantonrechter dienaangaande derhalve onjuist was), anderzijds is zij de grote verliezer daar zij, door het ontbreken van een separate vordering hiertoe in hoger beroep, ook na 24 juli 2015 het loon dient door te betalen tot de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd (in dit geval eindigde de arbeidsovereenkomst op 1 februari 2016, door opzegging van de werknemer en kwam het hof niet toe aan het bepalen van een einddatum).

mr. S.E. Wierenga-Heintz, Arbeidsrechtadvocaat bij Kneppelhout & Korthals Advocaten te Rotterdam

Wet: art. 7:677; 7:683 BW

Jurisprudentie: Hof Den Bosch 7-07-2016, nr. 200 187 574_01 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2725)

 

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.