Wanneer heeft een schriftelijke verklaring de geadresseerde bereikt?

Bij arrest van 14 juni 2013 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag wanneer gezegd kan worden dat een verklaring door de geadresseerde is ontvangen in de zin van art. 3:37 BW. Hierbij heeft de Hoge Raad voorbeelden gegeven van door de afzender mogelijk te hanteren adressen. In deze bijdrage wordt het arrest van de Hoge Raad kort besproken.

Inleiding

In een arrest van 14 juni 2013 (NJ 2013/39) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over het moment waarop een schriftelijke verklaring door een geadresseerde is ontvangen in de zin van art. 3:37 lid 3 BW. In deze bijdrage bespreek ik dit arrest.

Verkorte weergave feiten

Stichting Nieuwenhuis heeft aan Centavos een aantal onroerende zaken verkocht met een recht op terugkoop. Vervolgens hebben partijen voor enkele van de verkochte panden een huurovereenkomst gesloten. Partijen kwamen overeen dat mededelingen aan de huurder in verband met de uitvoering van de huurovereenkomst konden worden verricht aan het adres van het gehuurde.

Terugkooprecht

Op 3 juli 2002 hebben partijen een overeenkomst gesloten waarin het terugkooprecht is verlengd tot en met 13 juni 2008. In artikel 4 van deze overeenkomst is onder meer bepaald dat het terugkooprecht zou vervallen en een marktconforme huurprijs zou moeten worden betaald als er drie aanmaningen met telkens een tussenpoos van twee weken moesten worden gestuurd voor achterstallige betaling van huurpenningen.

Aanmaningen

Centavos heeft de Stichting driemaal aangemaand bij aangetekende en niet aangetekende brief, gestuurd naar een postbusadres dat vanaf het sluiten van de overeenkomsten door de Stichting werd gebruikt. Bij brief van 21 mei 2003 heeft Centavos zich op het standpunt gesteld dat het terugkooprecht is verspeeld door het niet voldoen aan de voorwaarde de huurtermijnen tijdig te voldoen, en aangekondigd dat de Stichting zal worden belast met een marktconforme huurprijs. De Stichting heeft een verklaring voor recht gevorderd dat het recht op terugkoop niet is vervallen en er geen marktconforme huurprijs moet worden betaald. Zij heeft gesteld dat van de drie aan haar postbus gezonden aanmaningen slechts één aanmaning haar heeft bereikt, omdat de postbus tijdelijk en buiten haar schuld door TPG was geblokkeerd en derhalve buiten gebruik was en dat derhalve niet is voldaan aan de voorwaarde voor het verval van het terugkooprecht. Volgens Centavos is het aan Stichting Nieuwenhuis zelf te wijten dat de overige aanmaningen haar niet hebben bereikt.   

Rechtbank en hof

De rechtbank heeft de vorderingen van Stichting Nieuwenhuis afgewezen. Het hof overweegt dat voordat kan worden toegekomen aan de vraag of het voor rekening van de Stichting komt dat twee van de drie aan de postbus gerichte aangetekende brieven haar niet hebben bereikt, de vraag moet worden beantwoord of dit postbusadres het adres was waarop Centavos de geadresseerde kon en mocht bereiken. Het hof oordeelt dat Centavos haar niet heeft gewezen op enig stuk waarin de Stichting het postbusadres heeft verstrekt als adres waarop zij voor Centavos bereikbaar zou zijn, zodat er geen plaats is voor het voor risico van de Stichting brengen dat twee aangetekende brieven haar niet hebben bereikt. 

Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat het antwoord op de vraag wanneer kan worden gezegd dat een verklaring door de geadresseerde is ontvangen, noch in de wettekst noch in de daarbij behorende toelichting is gegeven. Indien de ontvangst van een schriftelijke verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg volgens de Hoge Raad mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Als adres in vorenbedoelde zin kan aldus de Hoge Raad behoudens andersluidend beding worden aangemerkt de woonplaats van de geadresseerde in de zin van art. 1:10 BW, dan wel, indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft, het zakelijke adres van de geadresseerde en voorts het adres waarvan de afzender op grond van verklaringen of gedragingen mocht aannemen dat deze aldaar door hem kon worden bereikt. Bij wijze van voorbeeld noemt de Hoge Raad het postbusadres van de geadresseerde, diens e-mailadres of een ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt. 

Opmerking verdient aldus de Hoge Raad nog dat in beginsel moet worden aangenomen dat een schriftelijke mededeling die de geadresseerde heeft ontvangen op een door deze bij recente contacten met de afzender gebruikt postbusadres, hem heeft bereikt als bedoeld in art. 3:37 lid 3, eerste zin, BW. De Hoge Raad vernietigt de arresten van het hof.

Commentaar

Art. 3:37 lid 3 BW bepaalt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Nochtans heeft ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.

Theorieën

De vraag wanneer een schriftelijke verklaring de geadresseerde heeft bereikt, kan aan de hand van verschillende theorieën worden beantwoord. In het kader van aanbod en aanvaarding onderscheiden Asser/Hartkamp & Sieburgh (Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nr. 181) de volgende vier theorieën: de uitingstheorie, de verzendtheorie, de vernemingstheorie en de ontvangsttheorie. Volgens de uitingstheorie is het moment waarop de verklaring in een brief of telegram is neergelegd bepalend. Volgens de verzendtheorie is dat het moment van verzenden van de schriftelijke verklaring. De vernemingstheorie stelt het ogenblik dat de geadresseerde de schriftelijke verklaring verneemt centraal. Volgens de ontvangsttheorie is het ogenblik waarop de schriftelijke verklaring wordt ontvangen, bepalend ongeacht of de geadresseerde werkelijk kennis neemt van de verklaring.

Ontvangsttheorie

In een artikel in het WPNR uit 2001 (WPNR 6444) betoogde prof. mr. H.J. Snijders al gemotiveerd, dat de Hoge Raad heeft gekozen voor toepassing van de ontvangsttheorie. Prof. mr. H.J. Snijders stelde in zijn artikel voorts dat uit een arrest van de Hoge Raad van 20 maart 1998, NJ 1998/548 volgt dat ontvangen volgens de Hoge Raad gelijk staat aan bereiken.

In zijn arrest van 14 juni 2013 heeft de Hoge Raad echt uitdrukkelijk voor de ontvangsttheorie gekozen. De Hoge Raad overwoog immers in r.o. 3.3.2 dat met betrekking tot een schriftelijke verklaring als uitgangspunt geldt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Uit het arrest volgt dat voldoende is dat de verklaring naar een adres is gezonden waarvan de verzender mocht aannemen dat de geadresseerde daar kon worden bereikt, en dat de verklaring daar daadwerkelijk is aangekomen. Als voorbeeld van een adres als voornoemd, noemt de Hoge Raad onder andere een e-mailadres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt. In de huidige tijd van digitale communicatiemiddelen lijkt dit vanzelfsprekend, maar het gebruik van een e-mailadres is in de literatuur niet onomstreden. Prof. mr. H.J. Snijders noemde in zijn artikel in het WPNR (WPNR 6444, 2011) enkele denkbare complicaties, waaronder de situatie dat de geadresseerde het bericht per ongeluk wist of de service provider na ontvangst in de e-mailbox zijn service staakt, zodat het bericht niet kan worden “opgehaald”. Voor de toepassing van de ontvangsttheorie bij  berichten die zijn verzonden langs elektronische weg gaan Asser/Hartkamp & Sieburgh (Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nr. 183) ervan uit dat een per e-mail verzonden bericht de ontvanger in beginsel heeft bereikt op het moment dat hij zichzelf toegang kan verschaffen tot het bericht, en dat zo dit door technische redenen onmogelijk is (bijvoorbeeld doordat het bericht na aankomst bij de geadresseerde of diens service provider per ongeluk wordt gewist of doordat het ten gevolge van een storing bij de service provider of de computer van de ontvanger niet door de laatste kan worden ontvangen of geopend), zulks in beginsel voor risico van de ontvanger is. Mede gelet op het arrest van 14 juni 2013 denk ik dat dit juist is. Immers, als de geadresseerde een per brief verzonden mededelingen na ontvangst daarvan per ongeluk weggooit, draagt de geadresseerde daarvan het nadeel. Overigens kunnen uit de inbox verwijderde e-mails in beginsel nog worden teruggehaald.       

Tot slot merk ik op dat de Hoge Raad in het arrest niet ingaat op het feit dat bij nadere overeenkomst door partijen was overeengekomen dat mededelingen aan de huurder in verband met de uitvoering van de huurovereenkomst konden worden verricht aan het adres van het gehuurde. Het hof had ten aanzien daarvan geoordeeld dat het gehuurde tientallen adressen omvatte en dat het onder die omstandigheden in de rede lag dat de Stichting bereikt diende te worden op het adres waar zij formeel was gevestigd of bereikbaar was. In zijn noot stelt prof. mr. dr. T.F.E. Tjing Tjon Tai dat erover getwist kan worden of de bepaling dat mededelingen aan de huurder in verband met de uitvoering van de huurovereenkomst kunnen worden gericht aan het adres van het gehuurde niet betekent dat Centavos ieder van de gehuurde adressen had kunnen gebruiken, maar niet het postadres. Ik zou menen dat die laatste interpretatie juist is. Het meest logische was volgens mij – mede gelet op voornoemde bepaling – geweest dat Centavos de aanmaningen had verzonden naar het adres van het gehuurde pand ten aanzien waarvan een huurachterstand bestond.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.