Waterbeheer en onderhoud

Hoewel in Nederland waterbeheer een belangrijk onderwerp is, zijn uitspraken op dat gebied helaas spaarzaam. Daarom het altijd interessant om stil te staan bij uitspraken waarin de begrippen van de Waterwet worden geduid door de rechter. Zo ook de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 augustus 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:7255) waarin wij voor het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard hebben geprocedeerd over de reikwijdte van de legger en de daarin opgenomen normen.

Een bewoner van het beheersgebied van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard was het niet eens met de wijze van de uitvoering van het onderhoud door het hoogheemraadschap nabij zijn perceel. Omdat hij vond dat voor het onderhoud een projectplan vereist was en het hoogheemraadschap verzuimde om daartoe een besluit te nemen, diende hij een verzoek om handhaving in. Het hoogheemraadschap wees dat verzoek af, nu met de werkzaamheden geen wijziging van het waterstaatswerk werd beoogd, maar slechts het plegen van onderhoud binnen de reikwijdte van het normatieve kader van de legger.

Procedure en taakverdeling tussen de burgerlijk rechter en de bestuursrechter

De afwijzing van het verzoek om handhaving werd direct voorgelegd aan de bestuursrechter, zonder eerst de bezwaarprocedure te doorlopen. De standpunten van partijen waren gezien de al gevoerde procedure bij de burgerlijk rechter al zo duidelijk, dat bezwaar daar niets meer aan zou kunnen toevoegen.

De bewoner had het geschil namelijk al voorgelegd aan de burgerlijk rechter. Dat leidde tot een niet-ontvankelijkverklaring, nu de burgerlijk rechter oordeelde dat deze discussie via de bestuursrechter kon en ook diende te worden beslecht. De rechtbank oordeelde dat gezien de taakverdeling tussen de burgerlijk rechter en de bestuursrechter de bewoner met een verzoek om handhaving de kwestie voor diende te leggen aan de bestuursrechter ECLI:NL:RBROT:2018:9033. Belangrijke omstandigheden daarbij in dit geval waren wat mij betreft dat de werkzaamheden op dat moment niet op korte termijn waren gepland en de beweerdelijke onrechtmatigheid niet los te zien was van de vraag of het hoogheemraadschap bij uitvoering van de werkzaamheden in strijd zou handelen verplichtingen die voortvloeien uit de Waterwet. Wellicht is het goed om even stil te staan bij die verplichtingen.

Verplichtingen en instrumenten waterbeheerder

Waterbeheerders hebben op grond van de Waterwet de verplichting om de doelstellingen van de Waterwet na te streven. Deze doelstellingen zijn geformuleerd in art. 2.1 Waterwet en maken dat de waterbeheerders (Rijkswaterstaat en waterschappen voorop) in die rol overstromingen, wateroverlast en schaarste voorkomen en waar nodig beperken (a) en daarbij tevens de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen beschermen (b) en maatschappelijke functies door watersystemen vervullen (c).

Een instrument voor het waterschap om in de praktijk te kunnen vaststellen of er maatregelen genomen dienen te worden om wateroverlast te voorkomen is de legger. In art. 5.1 Waterwet is bepaald dat de waterbeheerder voor het beheersgebied een legger dient vast te stellen. De waterbeheerder en derden kunnen in de legger opzoeken wat de eisen zijn van waterstaatswerken wat betreft ligging, vorm, afmeting en constructie. De term waterstaatswerk is heel ruim, nu volgens de definitie daaronder een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk kan worden verstaan.

Wanneer een waterbeheerder overgaat tot aanleg of wijziging van een waterstaatswerk dient daarvoor op grond van art. 5.4 Waterwet een projectplan te worden vastgesteld. Op de voorbereiding van het besluit tot vaststelling van een projectplan is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Belanghebbenden kunnen daarmee een projectplan en een daarop te baseren gedoogplicht (art. 5.24 Waterwet) voorleggen aan de bestuursrechter. Een plan tot het uitvoeren van onderhoud en de daarvoor op te leggen gedoogplicht (art. 5.23 Waterwet) kunnen niet aan de bestuursrechter worden voorgelegd. Die laatste zijn beide niet appellabel. De bewoners hadden er daarmee belang bij dat vastgesteld zou worden dat sprake is van de aanpassing van een waterstaatswerk en niet van het plegen van onderhoud aan een waterstaatswerk.

Beoordeling verzoek om handhaving

Bij de beoordeling van een verzoek om handhaving – of dat nu is gericht op handelingen van de waterbeheerder zelf of handelingen van derden – dient op de eerste plaats te worden vastgesteld of sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift. In dezen moest de rechtbank daarvoor toetsen of het hoogheemraadschap bij uitvoering van het onderhoud zonder vaststelling van een projectplan een overtreding zal begaan van art. 5.4 Waterwet.

De rechtbank diende daartoe het onderhoudsplan te toetsen aan de normen die de legger voor de desbetreffende peilscheiding voorscheef. Daarvoor werd het onderhoudsplan dat beschreef op welke wijze de peilscheiding zou worden opgehoogd om de daarvoor benodigde drooglegging te bereiken door de rechtbank getoetst. Die feitelijke toets leidde tot het oordeel van de rechtbank dat het hoogheemraadschap terecht heeft aangevoerd dat de werkzaamheden dat de werkzaamheden niet leiden tot een wijziging van het waterstaatswerk en daarmee geen projectplan is vereist.

Van belang voor de praktijk is dat de rechtbank de reikwijdte van de legger duidt. Daarbij geldt dat de in dit geval een drooglegging van 0,60 meter voorschrijft. Het hoogheemraadschap zal met het onderhoud deze drooglegging niet realiseren, maar kiest vanwege de benodigde inpassing voor een drooglegging van 0,40 meter. Daarmee is aldus de rechtbank geen sprake van een wijziging van het normatieve kader van het waterstaatswerk. Dat zal anders liggen als de drooglegging groter zou zijn dan 0,60 meter. Ook het binnentalud zal na uitvoering van de werkzaamheden niet voldoen aan de voorgeschreven helling van 1:2, maar zal 1:3 bedragen. Dat is volgens de rechtbank tevens geen afwijking van de normatieve toestand, omdat deze helling niet steiler, maar flauwer is dan de normatieve toestand. Ten slotte geldt dat het buitentalud steiler is dan de normatieve toestand, waar het de bestaande situatie betreft. De rechtbank oordeelt dat ook daarmee geen sprake is van een wijziging in de normatieve toestand van het waterstaatswerk.

Daaruit blijkt dat de waterbeheerder de ruimte heeft om onderhoudswerkzaamheden uit te voeren binnen het kader dat in de legger wordt gesteld, maar niet exact de in de legger opgenomen normen dient te bereiken. Ook onderhoud dat afwijkt van de normen die de legger voorschrijft, maar binnen het normatieve kader blijft of de bestaande situatie betreft kan zonder dat daarvoor een projectplan is vereist worden uitgevoerd.

 

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.