Zwijgrecht toch ook voor ex-werknemers

De NMa heeft de mogelijkheid om feitelijk leidinggevenden en opdrachtgevers persoonlijk te beboeten voor betrokkenheid bij overtredingen van het kartelverbod of het verbod op misbruik van machtsposities. Op grond van de Mededingingswet bestaat er aan de zijde van de onderneming geen verplichting om een verklaring af te leggen als dit tot gevolg zou hebben dat wordt meegewerkt aan de eigen veroordeling. Volgens de NMa geldt dit zwijgrecht echter niet voor ex-werknemers in de situatie dat deze wordten verzocht te verklaren over een overtreding waar zij voordien werkzaam waren. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) oordeelde echter op 21 december 2012 anders: ook de ex-werknemer komt in dat geval zwijgrecht toe.

Bij besluit van 10 november 2009 had de NMa een ex-werknemer (een salesmanager) een boete van EUR 100.000,-- opgelegd voor het niet meewerken aan een mededingingsrechtelijk onderzoek.

De ex-werknemer had zich tijdens het onderzoek beroepen op zijn zwijgrecht ex artikel 53 van de Mededingingswet. Hij verwees daarbij naar de Texaco-uitspraak van 7 augustus 2007 van de rechtbank Rotterdam. Volgens de ex-werknemer is zijn positie niet anders dan die van een, aangezien het verzoek van de NMa betrekking had op feiten die hem bekend zijn uit de periode waarin hij voor de onderneming werkzaam was. De ex-werknemer stelde zich op het standpunt dat indien de NMa inlichtingen van hem vordert die er (mogelijk) toe leidden dat de onderneming naar aanleiding daarvan zou worden verdacht van een inbreuk op het mededingingsrecht, hem eveneens een beroep op het zwijgrecht toekomt.

De rechtbank Rotterdam achtte het bezwaar van de ex-werknemer ongegrond en was, net als de NMa, van mening dat het zwijgrecht niet toekomt aan degene die niet (meer) namens de onderneming kan verklaren. Hierbij staat het moment van het verhoor centraal, volgens de rechtbank.

De ex-werknemer gaat vervolgens in beroep bij de hoogste instantie, het CBb. Hij stelt zich op het standpunt dat nu de onderneming geen verklaring hoeft af te leggen, ook ex-werknemers zijn vrijgesteld aangezien zij moeten worden beschouwd als onderdeel van de onderneming.

De NMa stelt zich echter op het standpunt dat bij beantwoording van de vraag wie (onderdeel van) de onderneming vormt (en derhalve onder de reikwijdte van het zwijgrecht vallen) niet moet gekeken naar de onderneming ten tijde van de onderzochte gedragingen, maar de onderneming ten tijde van het onderzoek van de NMa. Enkel personen die op het moment van onderzoek van de NMa onderdeel uitmaken van de onderneming kunnen met de onderneming worden vereenzelvigd en namens de onderneming spreken. Personen die niet langer in dienst zijn kunnen niet een verklaring ‘aan de zijde van de onderneming’ afleggen, waarbij de NMa verwijst naar de tekst van artikel 53 van de Mededingingswet.

Bij de beoordeling van de casus door het CBb gaat het om de uitleg van de in artikel 53 van de Mededingingswet opgenomen zinsnede "aan de zijde van de onderneming". De uitleg van de NMa leidt tot een beperking van de reikwijdte van het zwijgrecht tot degenen die bij de onderneming werkzaam zijn op het moment dat het verhoor plaatsvindt. Het CBb is van mening dat noch de wet, noch de wetsgeschiedenis de NMa tot deze beperking van artikel 53 van de Mededingingswet dwingt en dat deze beperking de onderneming een effectieve bescherming door middel van het zwijgrecht ontneemt.

Het CBb oordeelt dan ook dat een ex-werknemer van een onderneming die door de NMa is betrokken in een onderzoek naar overtreding van het kartelverbod, het zwijgrecht van artikel 53 van de Mededingingswet toekomt.

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in en ontvang de laatste nieuwsupdates, artikelen, blogs en evenement notificaties.